Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200404556/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echteld appellante onder oplegging van twee afzonderlijke dwangsommen gelast het gebruik ten behoeve van de opvang van kinderen  en begeleid wonen voor jongvolwassenen van een aan de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gebouwde berging als slaapvertrek te beëindigen en beëindigd te houden en de daarin aanwezige bedden, douche en toiletvoorziening te verwijderen, alsmede het gebruik van een vrijstaande berging bij deze woning als woonruimte te beëindigen en beëindigd te houden en daaruit de zitkamerinrichting te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404556/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 april 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echteld appellante onder oplegging van twee afzonderlijke dwangsommen gelast het gebruik ten behoeve van de opvang van kinderen  en begeleid wonen voor jongvolwassenen van een aan de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gebouwde berging als slaapvertrek te beëindigen en beëindigd te houden en de daarin aanwezige bedden, douche en toiletvoorziening te verwijderen, alsmede het gebruik van een vrijstaande berging bij deze woning als woonruimte te beëindigen en beëindigd te houden en daaruit de zitkamerinrichting te verwijderen.

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (hierna: het college) als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Echteld het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat daarbij de begunstigingstermijn is verlengd tot 6 februari 2004.

Bij uitspraak van 22 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verklaard dat de door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 6 augustus 2003 getroffen voorlopige voorziening eerst zes maanden na verzending van de uitspraak vervalt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.E. Brandwijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 6 augustus 2003 is genomen in strijd met artikel 56, eerste lid, van de Gemeentewet, omdat in de vergadering van het college van die datum niet ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig was, faalt. Blijkens de op 12 augustus 2003 door het college vastgestelde besluitenlijst van zijn vergadering van 6 augustus 2003 waren op laatstgenoemde datum twee van de vier leden van het college tegenwoordig. Op 12 augustus 2003 waren blijkens de op 19 augustus 2003 vastgestelde besluitenlijst drie van de vier leden van het college aanwezig. Beide besluitenlijsten zijn ondertekend, evenals het aan appellante toegezonden besluit.

2.2.    Appellante woont in de op het perceel aanwezige woning. Zij gebruikt deze woning en de daaraan gebouwde berging voor de opvang en huisvesting van jongeren en volwassenen met een verstandelijke beperking. Dat geldt ook voor de vrijstaande berging, gezien onder meer de daarin aangetroffen zitkamerinrichting. Dat, naar appellante stelt, dit laatste gebouw slechts dienst doet als ontmoetingsruimte en hierin niet wordt overnacht, doet daar niet aan af.

2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden afgeleid dat de agrarische activiteiten die appellante op het perceel verricht een belangrijke functie vervullen in het kader van de begeleiding van de bewoners, doch niet zijn gericht op het verkrijgen van een inkomen. Mede gelet hierop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat op het perceel geen reëel agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, zodat het gebruik dat appellante maakt van zowel de aan de woning gebouwde berging als van de vrijstaande berging in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Echteld" op het perceel rustende agrarische bestemming.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik dat van de bergingen wordt gemaakt, wordt beschermd door het overgangsrecht van dit bestemmingsplan. Dienaangaande wordt overwogen dat in artikel 37, tweede lid, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zoals dit op 25 maart 1976 door de raad van de gemeente Echteld is vastgesteld, was bepaald dat het eerste lid, dat een algemeen gebruiksverbod bevatte, niet van toepassing was op strijdig gebruik dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging werd gebracht. Bij Koninklijk besluit van 3 juni 1981 heeft de Kroon aan dit artikelonderdeel goedkeuring onthouden, omdat dit ten onrechte geen ruimte liet voor een wijziging in het gebruik, waardoor de afwijking van het plan minder groot werd. De raad van de gemeente Echteld noch zijn rechtsopvolger heeft sedertdien voldaan aan de in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit destijds luidde, neergelegde verplichting om met inachtneming van dit Koninklijk besluit een nieuwe overgangsbepaling vast te stellen. Naar het oordeel van de Afdeling brengt echter het belang van een redelijke wetstoepassing bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gewraakte gebruik met zich, dat de overgangsbepaling waaraan goedkeuring is onthouden wordt gelezen in de door de Kroon gewenste redactie. Hiervan uitgaande zal de Afdeling het gebruik van de beide bergingen thans afzonderlijk beoordelen.

Ten aanzien van de vrijstaande berging

2.5.    Ter zitting is van de zijde van appellante verklaard dat de vrijstaande berging op de peildatum in 1981 hoofdzakelijk voor opslagdoeleinden werd gebruikt en niet voor bewoning. Mede gelet hierop, is voldoende aannemelijk dat het gebruik dat thans van de vrijstaande berging wordt gemaakt afwijkt van dat op de peildatum. Voorts is aannemelijk dat, zo al van het gebruik op deze laatste datum kan worden gezegd dat dit strijdig was met de agrarische bestemming, met de wijziging van het gebruik de afwijking van de bestemming is vergroot. Het gebruik van de vrijstaande berging valt derhalve niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht, zodat het betoog in zoverre niet slaagt.

2.6.    De conclusie is dat het gebruik dat van de vrijstaande berging wordt gemaakt in strijd is met artikel 37, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Echteld", zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisering van het onderhavige gebruik van de vrijstaande berging bestaat faalt. Niet is gebleken dat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan het gewraakte gebruik van de vrijstaande berging zal toestaan.

2.8.    Het betoog van appellante dat de rechtbank haar beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen faalt wat de vrijstaande berging betreft evenzeer, aangezien de door appellante bedoelde brief van het college van 20 maart 2000 niet ziet op het gebruik van dit gebouw.

2.9.    Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank met betrekking tot de vrijstaande berging terecht geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin.

2.10.    Appellante heeft eerst ter zitting nog betoogd dat de begunstigingstermijn te kort is. De Afdeling ziet onvoldoende grond voor het oordeel dat de appellante uiteindelijk geboden termijn te kort is om met betrekking tot de vrijstaande berging aan de opgelegde last te kunnen voldoen.

2.11.    Geconcludeerd moet worden dat de rechtbank het besluit van 6 augustus 2003, voorzover betrekking hebbend op de vrijstaande berging, terecht niet vernietigd.

Ten aanzien van de aan de woning gebouwde berging

2.12.    Appellante heeft ter onderbouwing van haar betoog dat het huidige gebruik van de aan de woning gebouwde berging wordt beschermd door het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Echteld" steeds gesteld, dat op de peildatum in 1981 de dochter van de toenmalige eigenaar van de woning en haar echtgenoot in deze aanbouw woonden. Zij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat een makelaar heeft verklaard dat de aanbouw altijd bewoond is geweest en door hem ook als onderdeel van de woning is verkocht. Daarnaast heeft zij er op gewezen dat het college in 1987 bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van een bijkeuken in dat deel van de woning en dus op de hoogte was van inrichting en gebruik van dat gedeelte. Ter zitting is nog van de zijde van appellante verklaard - hetgeen door het college niet is betwist - dat de aan de woning gebouwde berging thans uitsluitend door twee van de in overweging 2.2 bedoelde personen wordt bewoond.

2.13.    Anders dan de rechtbank en het college hebben overwogen, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden staande gehouden dat het door appellante gestelde gebruik van de aan de woning gebouwde berging op de peildatum naar zijn aard zodanig verschilt van het huidige gebruik, dat reeds hierom moet worden geconcludeerd dat appellante zich niet met vrucht op het overgangsrecht kan beroepen. In beide gevallen is sprake van (min of meer) permanente bewoning van de berging door eenzelfde aantal personen. Gelet hierop heeft het college in het besluit van 6 augustus 2003 ten onrechte niet bezien of appellante haar stelling aangaande het feitelijke gebruik van de aan de woning gebouwde berging op de peildatum aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij merkt de Afdeling op dat het college blijkens het verhandelde ter zitting niet bestrijdt dat de dochter van de toenmalige eigenaar en haar echtgenoot op de peildatum op het perceel woonden, maar betoogt dat bij hem niet bekend is of zij in de aangebouwde berging woonden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee niet kunnen volstaan, gelet op hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd.

2.14.    Gelet op het vorenstaande, moet worden geoordeeld dat het besluit van 6 augustus 2003 wat betreft de aan de woning gebouwde berging niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en voorts niet berust op een deugdelijke motivering, zodat het in zoverre in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.15.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover deze de aan de woning gebouwde berging betreft. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 6 augustus 2003 vernietigen, voorzover dit op deze berging betrekking heeft. Dit betekent dat het college in zoverre opnieuw op het tegen het besluit van 13 december 2001 gemaakte bezwaar dient te beslissen.

2.16.    De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.17.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 april 2004, AWB 03/2262, voorzover deze de aan de woning gebouwde berging betreft;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe van 6 augustus 2003, kenmerk BM/u/2003-2699, voorzover het de aan de woning gebouwde berging betreft;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe van 13 december 2001, BGZ/HM/, voorzover dat besluit de aan de woning gebouwde berging betreft;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1333,43, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Neder-Betuwe aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Neder-Betuwe aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 321,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Tulmans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

201.