Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200406629/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2003 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Buitengebied Breda, partiële herziening 2002/2, [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406629/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend dan wel gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2003 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Buitengebied Breda, partiële herziening 2002/2, [locatie]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 juni 2004, no. 961014, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 augustus 2004, bij de Raad van State per fax ingekomen op 9 augustus 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 december 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en van de Bredase & Nieuwginnekense Mixed Hockeyclub Zwart-Wit en Tennisclub Breda. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2005, waar appellanten vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en [appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Breda, vertegenwoordigd door mr. P. Ruis, ing. F.W.A. van Beurden en ing. J.J.M. Ruijs, ambtenaren van de gemeente, en de Bredase & Nieuwginnekense Mixed Hockeyclub Zwart-Wit en Tennisclub Breda, vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, en [gemachtigde], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier van belang, stelt de gemeenteraad, indien door gedeputeerde staten goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden een nieuw plan vast, waarbij het besluit van gedeputeerde staten in acht wordt genomen.

   Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt appellanten

2.2.    [appellanten] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan.

2.2.1.    Appellanten stellen dat verweerder bij zijn bestreden besluit de bestaande lichtmasten van het sportcomplex waarop het plan betrekking heeft, niet als uitgangspunt heeft mogen nemen bij dit plan en dat hij daarnaast ten onrechte de mogelijkheid tot oprichting van 10 nieuwe lichtmasten heeft goedgekeurd. In dit verband stellen zij op dit moment al onaanvaardbare lichtoverlast te ervaren. Zij stellen dat het door Royal Haskoning B.V. (hierna: Haskoning) verrichte onderzoek onvoldoende is nu hierin niet de gevolgen van de bestaande lichtmasten zijn betrokken en geen onderzoek is verricht naar de toeneming van de zogenoemde lichtwaas. Daarbij zijn ten onrechte geen metingen verricht bij de woningen aan de Reeptiend en zijn bepaalde woningen buiten beschouwing gelaten. Voorts achten zij het onderzoek subjectief nu daarbij gebruik is gemaakt van gegevens die door de installateur van de lichtmasten, Oostendorp Nederland B.V. (hierna: Oostendorp), ter beschikking zijn gesteld. Vervolgens hebben de gemeenteraad alsook verweerder hun besluiten gebaseerd op de Algemene richtlijn betreffende lichthinder (hierna: de richtlijn) van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde, terwijl deze richtlijn naar het oordeel van appellanten niet de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten bevat. Voorts is nog steeds directe inkijk in de verlichtingsarmaturen mogelijk. Verder achten appellanten het onterecht dat geen voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van geluidhinder. Bovendien zijn de gevolgen van de verlichting voor de omliggende natuurgebieden niet beoordeeld. Appellanten verwijzen in dit verband naar de Vogel- en Habitatrichtlijn alsmede de Flora- en Faunawet. Ten slotte stellen appellanten dat artikel 3 van de planvoorschriften, voorzover hierin aan artikel 9, derde lid, onder 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" een lid f wordt toegevoegd, niet ruimtelijk relevant is dan wel in strijd is met de rechtszekerheid.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het bestemmingsplan niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. De bestaande lichtmasten rondom de hockeyvelden I en II en de tennisbanen 1, 2 en 3 voldoen na wat kleine aanpassingen aan het Besluit horeca- sport en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) of zullen hieraan voldoen. Gelet hierop stelt verweerder dat het niet voldoen aan de milieuregelgeving ten aanzien van de uitvoering van de lichtmasten geen reden kan zijn om de bestaande lichtmasten niet als zodanig te bestemmen. Hoewel in het door Haskoning verrichte lichthinderonderzoek op een aantal punten een overschrijding van de grenswaarden van de richtlijn wordt geconstateerd, leidt de oprichting van nieuwe lichtmasten niet tot een vergroting van de geconstateerde overschrijding. Verweerder kan instemmen met de onderzoeksmethodiek en hij acht voorts geen redenen aanwezig om te twijfelen aan de objectiviteit van Oostendorp. Verweerder is daarnaast niet gebleken van een recenter toetsingskader dan de gehanteerde richtlijn. De woningen aan de Reeptiend zijn wel betrokken in het onderzoek van Haskoning, maar gezien de aanwezigheid van natuurlijke obstakels alsmede de afstelling van de armaturen, vindt verweerder dat voldoende redenen aanwezig waren om metingen aan de Reeptiend achterwege te laten. Nu voor lichtwaas geen objectieve norm voorhanden is, acht verweerder een onderzoek hiernaar niet noodzakelijk. Ter zake van de geluidhinder is specifieke milieuwetgeving van toepassing, zodat regeling in dit plan achterwege kan blijven. Terzake van het toegevoegde lid f aan artikel 9, derde lid, onder 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", merkt verweerder op dat de gestelde voorwaarden waarnaar dit artikel verwijst voldoende objectief zijn bepaald en derhalve voldoende rechtszeker zijn. Ten slotte stelt verweerder dat de Vogel- en Habitatrichtlijn niet in de weg staan aan de uitvoering van dit plan.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het voorliggende plan betreft een herziening op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van het bestemmingsplan "Buitengebied" van Breda uit 1992. Grond voor deze herziening is het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997, no. 97.003699, voorzover dat strekt tot onthouding van goedkeuring aan artikel 9, derde lid, onder 1, sub d, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", voorzover het betreft het oprichten van lichtmasten tot een hoogte van maximaal 20 meter.

    Het plangebied heeft betrekking op het sportpark Ginneken dat bestaat uit 3 hockeyvelden en 8 tennisbanen. Het gebied wordt aan de westzijde begrensd door de percelen van de woningen aan de Galderseweg en aan de zuidzijde door de percelen van de woningen aan de Reeptiend. Ten noorden van het plangebied ligt de justitiële inrichting Den Hey-Acker en aan de oostzijde ligt het natuurgebied Markdal.

Appellanten zijn onder andere omwonenden van het sportpark.

2.4.2.    Ingevolge artikel 3 van het plan worden aan artikel 9, derde lid onder 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" twee leden toegevoegd.

   In lid e is bepaald dat de volgende bebouwing is toegelaten:

- maximaal 16 lichtmasten met een maximale hoogte van 18 meter ter plaatse van de aanduiding op de plankaart bij de hockeyvelden I en II;

- maximaal 4 lichtmasten met een maximale hoogte van 12 meter ter plaatse van de aanduiding op de plankaart bij de tennisbanen 1, 2 en 3;

- maximaal 4 lichtmasten met een maximale hoogte van 12 meter ter plaatse van de aanduidingen op de plankaart bij de tennisbanen 7 en 8;

- maximaal 6 lichtmasten met een maximale hoogte van 12 meter ter plaatse van de aanduidingen op de plankaart bij hockeyveld III.

   In lid f is bepaald dat met betrekking tot het gestelde in lid e ten aanzien van de plaatsing van de lichtmasten wordt getoetst aan de randvoorwaarden, zoals deze zijn gesteld op pagina 15 onder 11.3 en 11.4 van het als bijlage bij de toelichting opgenomen "Lichthinderonderzoek Sportpark Ginneken" van 5 april 2002.

2.4.3.    Bij het opstellen van het plan heeft de gemeenteraad gesteld rekening te houden met het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997. De gemeenteraad heeft de grenswaarden van de richtlijn als uitgangspunt genomen waarbij het westelijk gelegen Mastbos alsmede de ten noorden van het plangebied gelegen bosrand zijn aangemerkt als zone E1 (natuurgebieden) waarvoor ingevolge de richtlijn een maximale grenswaarde van 2 lux geldt. De gemeenteraad heeft de woningen in de omgeving van het sportpark aangemerkt als zone E2 (buitenstedelijke en landelijke gebieden) waarvoor een maximale grenswaarde van 5 lux geldt. Op grond van artikel 5, eerste lid, onder a, in samenhang met paragraaf 4.5 van de bijlage van het Besluit zijn nadere eisen opgelegd aan de hockeyclub, en in 2003 zijn aanpassingen verricht aan de bestaande lichtmasten.

2.4.4.    Door Haskoning is in opdracht van de gemeenteraad onderzoek verricht naar de lichthinder van het sportpark Ginneken ter onderbouwing van het plan. Volgens het rapport van 5 april 2002 is uitgegaan van de gegevens van Oostendorp. Deze gegevens zijn gebruikt voor berekeningen die in bepaalde gevallen aanleiding gaven voor lichtmetingen die door Haskoning zijn uitgevoerd. In het rapport wordt gesteld dat de bestaande verlichting bij enkele zones leidt tot een overschrijding van de grenswaarden van de richtlijn.

Voorts wordt in het onderzoek gesteld dat volgens de berekeningen de uitbreiding van de lichtmasten niet leidt tot een grotere lichtbelasting.

2.4.5.    Door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is een advies uitgebracht waarin wordt gesteld dat voor het onderzoek door Haskoning geen metingen zijn verricht naar de lichtsterkte. Voorts ontbreken metingen ten aanzien van woningen aan de Galderseweg en de Reeptiend. Ten aanzien van het Besluit blijkt dat door een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur is gesteld dat aan de hand van nadere eisen zal worden verlangd dat de lichtmasten op de hockeyvelden en de tennisbanen voldoen aan de grenswaarden van de richtlijn.

Oordeel van de Afdeling

2.5.    In het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997 heeft de Kroon het besluit van verweerder wat betreft het in overweging 2.4.1 genoemde planvoorschrift vernietigd en hieraan goedkeuring onthouden.

Hiertoe heeft de Kroon het volgende overwogen:

   "(…) In het plan is het aantal lichtmasten dat op het sportpark mag     worden opgericht niet bepaald en evenmin is een vorm van     zonering toegepast, waarbij de toegestane hoogte van de     lichtmasten wordt gerelateerd aan de afstand tot de woningen in     de omgeving. Voorts is gebleken dat het gemeentebestuur bij de     voorbereiding van het plan geen onderzoek heeft verricht naar de     gevolgen, die het gebruik van de toegestane kunstverlichting kan     hebben voor de direkte (woon)omgeving.

   (…) Onder deze omstandigheden is naar Ons oordeel onvoldoende     gewaarborgd dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare     aantasting van het woonklimaat in de omgeving.

   (…) In verband met een en ander zijn Wij van oordeel dat de     onderhavige planregeling in een herziening ex artikel 30 van de Wet     op de Ruimtelijke Ordening nader dient te worden bezien. Bij deze     herziening kan rekening worden gehouden met de lichtmasten     welke reeds zijn gerealiseerd, voorzover niet is te verwachten dat     zij, hetzij vanwege bovengenoemde uitspraken van de Afdeling     bestuursrechtspraak van de Raad van State, hetzij om andere     redenen, in de naaste toekomst zullen worden verwijderd of     verlaagd."

2.6.    Gelet op hetgeen in het Koninklijk Besluit omtrent de bestaande lichtmasten is overwogen, konden de bestaande lichtmasten als uitgangspunt worden genomen voorzover niet te verwachten was dat zij zouden worden verwijderd of worden verlaagd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om te verwachten dat de lichtmasten zouden worden verwijderd dan wel verlaagd. Daarbij is van belang dat de bestaande lichtmasten destijds zijn opgericht met gebruikmaking van de procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de bestaande lichtmasten niet als uitgangspunt voor zijn besluit heeft mogen nemen.

2.7.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het door Haskoning verrichte lichthinderonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Daarbij wordt van belang geacht dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de richtlijn, die het uitgangspunt was bij het onderzoek, niet de meest recente milieutechnische inzichten bevat. Dat voor de berekeningen gebruik is gemaakt van technische gegevens die door de leverancier van de lichtmasten, Oostendorp, ter beschikking zijn gesteld, doet niet af aan de objectiviteit van het lichthinderonderzoek. Hierbij is van belang dat uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting blijkt, en appellanten ook niet aannemelijk hebben gemaakt, dat de door Oostendorp overgelegde informatie betrekking had op andere dan feitelijke, technische informatie welke nodig was voor het uitvoeren van het lichthinderonderzoek.

2.8.    Uit het rapport Haskoning volgt dat ter plaatse van de woning aan de [locatie] en ter plaatse van het Mastbos overschrijdingen van de richtlijn zijn geconstateerd. Verweerder heeft dit ook niet miskend. Van belang is echter dat de planvoorschriften alsook het Besluit en de op grond daarvan gestelde nadere eisen bewerkstelligen dat aan de grenswaarden van de richtlijn zal worden voldaan. Er bestaat in dit verband geen aanleiding voor het oordeel dat de planvoorschriften onvoldoende objectief dan wel rechtsonzeker zijn. Ten aanzien van de zonering is van belang dat in de planvoorschriften de situering en de hoogte van zowel de bestaande lichtmasten als van de nieuw op te richten lichtmasten zijn vastgelegd.

2.9.    Ten aanzien van de ter plaatse levende fauna wordt opgemerkt dat de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn die betrekking hebben op soortenbescherming, zijn geïmplementeerd in de Flora- en Faunawet die grotendeels op 1 april 2002 in werking is getreden. De door appellanten genoemde dier- en vogelsoorten vallen derhalve onder de bescherming van de Flora- en Faunawet. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het bepaalde in de Flora- en Faunawet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij is van belang dat er al een aantal jaren lichtmasten op het sportpark aanwezig zijn en het feit dat de lichtmasten niet continu zullen zijn ingeschakeld.

2.10.    Uit het Koninklijk Besluit kan worden afgeleid dat de Kroon destijds geen problemen voorzag met betrekking tot het geluid van het sportpark. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven thans hierover anders te oordelen, zodat er voor verweerder geen reden bestond om aan het ontbreken van geluidsvoorschriften gevolgen te verbinden voor de goedkeuring van het plan.

2.11.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

177-461.