Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200405591/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) op grond van artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder k, van de Verordening op de straathandel 2000 (hierna: de verordening), de aan appellant verleende vergunning voor een vaste plaats op de Albert Cuypmarkt ingetrokken, ingaande 1 april 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405591/1.

Datum uitspraak:27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) op grond van artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder k, van de Verordening op de straathandel 2000 (hierna: de verordening), de aan appellant verleende vergunning voor een vaste plaats op de Albert Cuypmarkt ingetrokken, ingaande 1 april 2002.

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 oktober 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. V.N. Sakkers, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. F.E.W. van den Broek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de verordening, voorzover thans van belang, is de houder van een vaste plaats of van een voorkeurskaart verplicht zijn marktplaats op een dagmarkt ten minste drie dagen per week in te nemen.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel kunnen burgemeester en wethouders van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen voor een periode van maximaal twee jaren in geval van ziekte of in het geval van bijzondere omstandigheden en voor maximaal zes weken per kalenderjaar, al dan niet aaneengesloten, in geval van vakantie.

   Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder k, van de verordening kan een op grond van deze verordening verleende vergunning worden ingetrokken wegens overtreding van de bepalingen van deze verordening.

2.2.    Appellant beschikte, na met de status van sollicitant werkzaam te  zijn geweest als marktkoopman op de Albert Cuijpmarkt, vanaf 1 september 2001 over een voorkeurskaart en moest derhalve vanaf die datum voldoen aan de aanwezigheidsplicht als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de verordening. Met ingang van 4 februari 2002 was aan hem een vergunning voor een vaste plaats verleend.

2.3.    Het dagelijks bestuur heeft noch bij het primaire besluit noch bij de beslissing op bezwaar toepassing gegeven aan het Stappenplan voor de handhaving van de bepalingen van de Verordening op de straathandel 2000. Daartoe was het ook niet gehouden, daar het Stappenplan eerst per 18 februari 2002 in werking is getreden en de gedragingen die appellant worden aangerekend dateren van voor die datum. Voor zover de door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden betrekking hebben op de toepassing van dat plan, dienen zij daarom buiten beschouwing te worden gelaten.

2.4.    Appellant betoogt tevergeefs dat hij artikel 4.2, eerste lid, van de verordening niet heeft geschonden. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat appellant in de periode van 1 september 2001 tot 11 februari 2002 minstens elf maal artikel 4.2, eerste lid, van de verordening heeft overtreden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat appellant van de aanwezigheidsplicht op de hoogte was aangezien hij bij brieven van 18 mei 2001, 1 augustus 2001, 18 oktober 2001 en 18 maart 2001 is gewaarschuwd dat hij aan zijn verplichting om de hem toegewezen plaats te bezetten moet voldoen. De stelling van appellant dat hij zijn afwezigheid veelal heeft gemeld bij een van de op de markt aanwezige marktmeesters kan, wat daar ook van zij, niet gelden als een ontheffing van die verplichting. Het verzoek daartoe heeft appellant eerst gedaan op 18 februari 2002, dat wil zeggen na de geconstateerde overtredingen. Ook overigens leidt hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat geen sprake was van overtredingen van genoemde wettelijke verplichting.

2.5.    Voorts valt niet in te zien dat het dagelijks bestuur de omstandigheid dat appellant bij besluit van 13 juni 2000 de toegang tot de markt voor de duur van vier weken is ontzegd, omdat hij de marktplaats die hij bij loting had verkregen in strijd met de toepasselijke regels regelmatig aan derden verpachtte, niet heeft mogen laten meewegen bij de vraag of tot intrekking van de vergunning zou worden overgegaan. Het daarop betrekking hebbende betoog van appellant kan dan ook niet slagen.

2.6.    Het betoog van appellant dat zijn vergunning bij het primaire besluit ten onrechte met terugwerkende kracht met ingang van 1 april 2002 is ingetrokken, kan niet leiden tot een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter. Daarbij is van belang het karakter van de getroffen maatregel en het feit dat appellant in de periode van 1 april tot 22 april 2002  van de vergunning feitelijk geen gebruik heeft gemaakt, onder meer vanwege het feit dat hij van 11 februari tot en met 19 april in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

2.7.    Ook in hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij de beslissing op bezwaar niet in redelijkheid de intrekking voor onbepaalde tijd van de vergunning voor een vaste plaats heeft kunnen handhaven.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

91-440.