Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200405710/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Lisse, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2002".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 106 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2005/5167 met annotatie van F.G.M.H.J. Weerts
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405710/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de vereniging "Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart", gevestigd te Lisse,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Lisse, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2002".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 mei 2004, kenmerk DRM/ARB/03/14938A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 9 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2004, en appellante sub 2 bij brief van 12 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 november 2004 (hierna: het deskundigenbericht).

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2005, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. P.J. Koomen, gemachtigde, appellante sub 2, vertegenwoordigd door J. van der Hout, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk en mr. drs. J.H.M. Hemelaar, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Lisse, vertegenwoordigd door M.A.M. Randsdorp, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van [appellant sub 1]

2.2.    Appellant voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, bollenteelt (Ab)", wat betreft de schuur op zijn perceel [locatie]. Hij stelt dat de schuur ten onrechte geen voorlopige niet-agrarische bestemming heeft gekregen.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft geen reden gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat een niet-agrarische bestemming in het agrarische  gebied niet wenselijk is. Bovendien is de schuur van appellant zonder bouwvergunning gebouwd.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Appellant heeft in 2000 zijn bloementeeltbedrijf beëindigd.

Aan het perceel [locatie], kadastrale aanduiding Sectie […], nrs. […], waarop onder meer de woning van appellant staat, is in het bestemmingsplan "Dorp" de bestemming "Woongebied (W)" toegekend. Op dit perceel staat tevens een voormalige bollenschuur, die thans wordt gebruikt als garage en berging.

Aan het perceel daarachter, met de kadastrale aanduiding Sectie […], nr. […], is in het bestreden bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden, bollenteelt (Ab)" toegekend. De gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften bestemd voor bollenteelt. In het vorige bestemmingsplan, "Landelijk gebied 1981", is het perceel bestemd als "Agrarische doeleinden met in hoofdzaak bollencultuur (AB)", met de aanduiding "kassenbouw toegestaan (k)".

Appellant heeft de schuur die op dit perceel staat in 1995 zonder bouwvergunning gebouwd op de plaats van een voormalige werkplaats annex ketelhuis bij een kas. De schuur is blijkens het deskundigenbericht geschikt voor bewoning maar is volgens appellant nooit anders gebruikt dan als bergruimte. Het perceel wordt voor het overige thans gebruikt als moestuin en voor het houden van konijnen.

Het college van burgemeester en wethouders heeft appellant bij brief van 11 november 2003 onder aanzegging van bestuursdwang gelast de zonder vergunning gebouwde schuur af te (laten) breken.

2.4.2.    Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid van dat artikel is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen van overheidswege wordt of alsnog kan worden opgetreden.

In artikel 54 van de planvoorschriften is bouwovergangsrecht opgenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Voor de in geding zijnde schuur is geen bouwvergunning verleend, zodat deze in 1995 is opgericht in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan het bouwovergangsrecht niet strekken tot legalisering van onder het voorafgaande bestemmingsplan illegaal aanwezige bebouwing.

Omdat appellant zijn bedrijf in 2000 heeft beëindigd behoort legalisatie door het alsnog verlenen van een bouwvergunning evenmin tot de mogelijkheden.

Sinds 2000 wordt de schuur niet meer gebruikt voor agrarische doeleinden. De bestemming "Agrarische doeleinden, bollenteelt (Ab)" staat schuren bij burgerwoningen niet toe. Het bestaande gebruik van de schuur is derhalve in beginsel in strijd met het bestemmingsplan. Voorts is dit gebruik, gelet op de in het vorige bestemmingsplan gegeven bestemming, aangevangen in strijd met het vorige plan, en ingevolge artikel 53, derde lid, van de planvoorschriften niet onder het overgangsrecht gebracht.

Nu het gemeentebestuur handhavend optreedt tegen de illegale bebouwing en aannemelijk is dat het niet-agrarische gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd, heeft de gemeenteraad op goede gronden besloten om dit gebruik niet in het plan te regelen en het perceel wederom een agrarische bestemming te geven. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellant heeft doen weten het perceel binnen vijf jaar te willen verkopen, zodat verwacht mag worden dat het perceel binnen de planperiode van tien jaar weer voor agrarische doeleinden kan worden gebruikt.

Gelet op het vorenstaande heeft de gemeenteraad in redelijkheid van een niet-agrarische bestemming voor het onderhavige perceel kunnen afzien.

Voor een door appellant gewenste voorlopige bestemming voor vijf jaar ingevolge artikel 12 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestaat in de gegeven situatie, een illegaal gebouwde schuur waartegen handhavend optreden nog mogelijk is, geen aanleiding.  

Conclusie

2.6.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Het standpunt van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart

2.7.    Appellante voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden" en "Groenvoorzieningen". Het plan voorziet ten onrechte niet in de bouw van schuurtjes en de aanleg van parkeerplaatsen. Met het oog hierop wenst appellante de bestemming "Erf".

Voorts voert appellante in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 10 van de planvoorschriften, voor zover geen grotere woonboten dan 15 bij 4 meter zijn toegestaan. Hierdoor is een aantal grotere boten ten onrechte wegbestemd.

Verweerder heeft volgens appellante ten onrechte goedkeuring verleend aan het plandeel waarbij een deel van de berm bij de openbare weg is betrokken ter hoogte van het bedrijventerrein "Leidse Vaart". In dat verband vreest appellante overlast van verkeer naar het bedrijventerrein. Ten slotte voert appellante aan dat bij het vastgestelde plan een kaart ter inzage heeft gelegen die verschilde van de kaart die bij het ontwerp-plan ter inzage heeft gelegen.

Het bestreden besluit

2.8.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de zinsnede "alsmede bijbehorende drijvende bergingen" in artikel 10 van de planvoorschriften. Verweerder heeft, voor zover thans van belang, geen reden gezien de door appellante genoemde plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij betoogt dat de bestemming "Groenvoorzieningen (GR)" ter plaatse van de aanduiding "(s)" in de bouw van 12 bergingen voorziet. Het bij het plan behorende overgangsrecht beschermt bestaande woonschepen met een grotere afmeting dan 15 bij 4 meter. Verweerder acht deze afmeting, gezien de kleinschaligheid van de Leidse Vaart en de in het streekplan Zuid-Holland West opgenomen ecologische zone, redelijk. Voorts stelt verweerder dat het gemeentebestuur door middel van verkeersmaatregelen de verkeersoverlast ter hoogte van het desbetreffende bedrijventerrein kan bestrijden.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    In het gedeelte van de Leidse Vaart dat voor dit geding van belang is liggen reeds sinds de jaren vijftig woonschepen, aangemeerd aan een weg, eveneens genaamd Leidse Vaart.

2.9.2.    Aan de woonboten in de Leidse Vaart is de bestemming "Woonschepenligplaats (WL)" toegekend. Deze gronden zijn ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor het permanent afmeren van woonschepen, alsmede bijbehorende drijvende bergingen, met inachtneming van het volgende:

"a.    het aantal woonschepen mag niet meer bedragen dan het aantal zoals op de kaart is aangegeven;

b.    de hoogte van de woonschepen mag niet meer dan 3,5 meter bedragen;

c.    de onderlinge afstand tussen twee woonschepen of enig uitstekend deel daarvan mag niet minder dan 2 meter bedragen;

d.    de lengte en breedte mogen niet meer dan 15 meter respectievelijk 4 meter bedragen, waarbij drijvende vlonders rondom het woonschip niet breder dan 2 meter mogen zijn en niet langer dan - afgerond - de lengte van de gevel van het woonschip waarlangs de vlonder is gelegen;"

   Aan het plandeel ter hoogte van de woonboten in de Leidse Vaart zijn de bestemmingen "Primair waterkering", "Verkeersdoeleinden (V)" en "Groenvoorzieningen (GR)" toegekend.

   Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor groenvoorzieningen bestemd voor beplantingen en andere groenvoorzieningen alsmede ter plaatse van de nadere aanwijzing (s) bergingen ten behoeve van de woonschepen en in samenhang daarmee voor voet- en fietspaden alsmede voor bermen en bermsloten.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel mogen op de gronden met de nadere aanwijzing (s) tevens bergingen ten behoeve van de woonschepen worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 7,5 m2. en een bouwhoogte van 3 meter, met dien verstande dat per woonschip ten hoogste één berging is toegestaan, inclusief de bij het woonschip behorende berging op de gronden met de bestemming Woonschepenligplaats.

   Ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Verkeerdoeleinden bestemd voor wegen, bruggen, fiets- en voetpaden, andere verhardingen, bermen, picknickplaatsen, fietsenstallingen, bushokjes, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen.

2.9.3.    Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid van dat artikel is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen van overheidswege wordt of alsnog kan worden opgetreden.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    De gemeenteraad heeft besloten, onder meer wat betreft de door appellante in beroep aangevochten plandelen, het plan ten opzichte van het ontwerp-plan dat ter inzage heeft gelegen, gewijzigd vast te stellen. Hierbij zijn tevens wijzigingen op de plankaart aangebracht.

Voorop staat dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat een ander plan is ontstaan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts niet gebleken dat deze wijzigingen onjuist zijn weergegeven, dan wel dat in enig opzicht de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven procedure met betrekking tot de vaststelling en terinzagelegging van het bestemmingsplan niet of onjuist is gevolgd. In hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde vaststelling van de plankaart tot onduidelijkheden heeft geleid.

2.11.    Gelet op artikel 10, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften, in samenhang gelezen met de plankaart, voorziet het plan in het afmeren van 12 woonschepen. Door de in overweging 2.8. genoemde onthouding van goedkeuring voorziet het plan niet (meer) in het plaatsen van drijvende bergingen bij deze woonschepen.

De 12 bestaande woonschepen liggen aangemeerd aan de Leidse Vaart. Een deel van de gronden aan de westzijde van deze weg, ter hoogte van de woonschepen en grenzend aan het bedrijventerrein, is bestemd als "Groenvoorzieningen (GR)" met de aanduiding "(s)".

Op de plankaart is door middel van de aanduidingen "(2)", "(4)" en "(6)" het aantal toegestane bergingen bij woonschepen binnen deze bestemming nader aangegeven, zodat 12 bergingen mogelijk worden gemaakt. Dit komt overeen met het aantal thans afgemeerde woonschepen.

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat het uit een oogpunt van ruimtebeslag ook feitelijk mogelijk is om in de desbetreffende plandelen twaalf bergingen met de in het plan aangegeven afmetingen te plaatsen.

Nu op deze plandelen reeds enige bergingen staan is het aan appellante om in onderling overleg tussen haar leden tot een regeling te komen, waarbij alle 12 gewenste bergingen kunnen worden gerealiseerd.

   De Leidse Vaart is een smalle weg met smalle bermen. Ter plaatse van de in-/uitrit van de caravanstalling ten zuiden van het Steengrachtkanaal ter hoogte van de woonschepen Leidse Vaart 42 en 44 en de in-/uitrit van het bedrijventerrein ter hoogte van de woonschepen Leidse Vaart 32 en 33 is om redenen van verkeersveiligheid van de mogelijkheid van het plaatsen van een berging afgezien. Voorts is hierbij rekening gehouden met de woningen Leidse Vaart 24b, 24d en 28.

Dat onder deze omstandigheden de bergingen niet in alle gevallen ter hoogte van de woonschepen zijn voorzien en dat in plaats daarvan is gekozen voor een drietal zogenoemde clusters van bergingen is, gelet op de ruimtelijke situatie ter plaatse, niet onredelijk.

   Wat betreft de door appellante gestelde behoefte aan parkeerplaatsen is ter zitting gebleken dat het voor alle eigenaren van de woonschepen mogelijk is de auto nabij het woonschip te parkeren.

2.12.    Voor zover appellante stelt dat een bestemming "Erf" meer gepast is voor de in geding zijnde plandelen, wijst de Afdeling op de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De gemeenteraad heeft in dit geval de gronden ter hoogte van de woonschepen de bestemmingen "Verkeersdoeleinden (V)" en "Groenvoorzieningen (GR)" met de nadere aanduiding "(s)" gegeven. Het plan maakt op de als zodanig bestemde gronden onder meer beplantingen en andere groenvoorzieningen, bergingen, wegen, andere verhardingen en parkeerplaatsen mogelijk. Gelet op hetgeen appellante in beroep met betrekking tot de door haar gewenste gebruiksmogelijkheden van deze gronden heeft aangevoerd bestaat voor een andere bestemming geen aanleiding.

2.13.    Wat betreft het betoog dat bij de renovatie van het wegdek van de Leidse Vaart in afwijking van het bestek ten onrechte een deel van de berm bij de weg is betrokken en verhard, waarbij persoonlijke bezittingen van de eigenaren van de woonschepen zijn verwijderd, merkt de Afdeling op dat deze grief als zodanig in deze procedure niet ter beoordeling staat. Hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd heeft betrekking op de feitelijke situatie ter plaatse. In dat verband blijkt uit de stukken dat een klein gedeelte van de groenstrook ter hoogte van de woonschepen Leidse Vaart 30 en 32 bij de rijverharding is getrokken om het in- en uitrijden van de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein veiliger en minder lastig te maken. Het desbetreffende gedeelte van de berm dat thans is verhard is bestemd als "Verkeersdoeleinden". Ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden echter niet alleen bestemd voor wegen maar tevens voor onder meer andere verhardingen, bermen, picknickplaatsen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bestemming waarin het plan voor de door appellante bedoelde berm voorziet, niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

2.14.    Het plan voorziet in woonschepen waarvan de lengte en breedte niet meer dan 15 meter, respectievelijk 4 meter mogen bedragen.

Uit de stukken blijkt evenwel dat een aantal van de twaalf aanwezige woonschepen deze afmetingen overschrijdt.

Het plan voorziet derhalve niet in een bestemming overeenkomstig de bestaande situatie.

   Het vorige bestemmingsplan, "Landelijk gebied 1981", voorzag, met uitzondering van de ligplaats van de woonschepen Leidse Vaart 32 en 33, niet in ligplaatsen voor woonschepen, zodat vast staat dat het gebruik als ligplaats voor de overige woonschepen in beginsel in strijd was met de in het vorige plan opgenomen bestemming.

   In artikel 33 van de planvoorschriften van dat plan is bepaald dat gronden en bouwwerken die bij het van kracht worden van het plan in gebruik zijn op een wijze of tot een doel strijdig met de bij dit plan aan de grond gegeven bestemming, op deze wijze of tot dit doel in gebruik mogen blijven.

Aangezien het in geding zijnde gedeelte van de Leidse Vaart reeds lang voor het van kracht worden van het vorige bestemmingsplan in gebruik was als ligplaatsen voor woonschepen, is dit gebruik, gelet op de aangehaalde bepaling, in het vorige plan onder het overgangsrecht gebracht.

   Zoals in overweging 2.9.3. is weergegeven, mag ingevolge artikel 53, eerste lid, van de planvoorschriften (van het voorliggende plan) het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

Het derde lid van dat artikel, waarin is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen van overheidswege wordt of alsnog kan worden opgetreden, is immers niet van toepassing, nu het gebruik in het vorige plan onder het overgangsrecht was gebracht.

De stelling van verweerder dat deze woonschepen, voor zover ze de in het plan voorziene afmetingen overschrijden, onder het overgangsrecht zijn gebracht, is derhalve op zichzelf juist.

   Ter zitting is echter gebleken dat het niet aannemelijk is dat het gebruik van de woonschepen die de in het plan voorziene afmetingen overschrijden binnen de planperiode zal worden beëindigd.

   In het kader van de belangenafweging die de gemeenteraad dient te maken bij het bepalen van de bestemming van het bestaande gebruik van de woonschepen, dat op grond van het vorige plan mocht worden voortgezet, is van belang dat ter plaatse reeds sinds de jaren vijftig woonschepen liggen en dat dit gedeelte van de Leidse Vaart geen deel uitmaakt van een in het streekplan Zuid-Holland West opgenomen ecologische zone.

Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is verder gebleken dat door verweerder ontheffingen worden verleend op grond van de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland voor ligplaatsen in de Leidse Vaart voor woonschepen langer en breder dan de thans in het plan opgenomen maten, waarbij wordt aangesloten bij de bestaande afmetingen van de in geding zijnde woonschepen. In dat verband is vast komen te staan dat voor dit gedeelte van de Leidse Vaart in de genoemde verordening een maximale lengte en breedte wordt gehanteerd van 20 meter, respectievelijk 5 meter.

   Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van de gemeenteraad een bestemming die voorziet in de bestaande afmetingen van de woonschepen in beschouwing te nemen.

   Eerst wanneer het toekennen van een positieve bestemming in strijd zou komen met een goede ruimtelijke ordening kan de raad in overweging nemen het bestaande gebruik, voor zover dat de in het plan voorziene afmetingen overschrijdt, onder het overgangsrecht te brengen. Daarvoor is echter vereist dat aannemelijk is dat deze overschrijding binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu in dit geval die verwachting niet bestaat, zijn de woonschepen, voor zover zij de in het plan voorziene afmetingen overschrijden, ten onrechte onder het in artikel 53 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht gebracht.

Conclusie

2.15.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich wat betreft artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften.

Wat betreft de overige bestreden plandelen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.16.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart, voor zover het betrekking heeft op artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 18 mei 2004, kenmerk DRM/ARB/03/14938A, voor zover daarbij artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften is goedgekeurd;

III.    onthoudt goedkeuring aan artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 25,00; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellante;

VII.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Van Dorst

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

357.