Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200408612/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de directeur) de erkenning van appellante voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor de duur van 9 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408612/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 september 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de directeur) de erkenning van appellante voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor de duur van 9 weken.

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft de directeur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2004, verzonden op 30 september 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 december 2004 heeft de directeur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D.A.J. Sturhoofd, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigden], en de directeur, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de Dienst Wegverkeer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie  de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere dan de onder de letters a t/m g vermelde uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK (hierna: de Regeling) wordt het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid in acht genomen alvorens het keuringsrapport aan de aanvrager wordt afgegeven.

   Ingevolge artikel 44, derde lid, aanhef en onder b en c, van de Regeling wordt het voertuig door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld onder verstrekking van het kenteken en de meldcode van het voertuig. De meldcode wordt gevormd door de laatste vier cijfers van het identificatienummer, letters en leestekens buiten beschouwing gelaten.

   Ingevolge artikel 58 van de Regeling, voorzover hier van belang, wordt indien door de erkenninghouder de in artikel 44 neergelegde verplichtingen niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning.

2.2.    In geschil is het oordeel van de voorzieningenrechter dat de directeur bevoegd was een sanctie toe te passen omdat uit objectieve systeemgegevens blijkt dat geen afmelding van het voertuig met het kenteken [..-..-.. (hierna: de Kia) heeft plaatsgevonden terwijl voor dat voertuig wel een keuringsrapport is opgemaakt en afgegeven.

2.3.    De directeur heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat op 14 november 2003 voor de Kia een keuringsrapport is opgemaakt en afgegeven, terwijl de Kia op die dag niet is afgemeld. Hij heeft gesteld dat uit de afmeldgegevens volgt dat een voertuig met het kenteken [..-..-.. (hierna: de Suzuki) zowel op 14 als op 18 november is afgemeld.

2.4.    Appellante voert aan dat zij de Kia wel degelijk op 14 november 2003 heeft afgemeld en dat, zo deze afmelding niet goed bij de Dienst Wegverkeer is doorgekomen, dat te wijten moet zijn aan een computerstoring. Zij stelt daartoe dat de Suzuki eerst op 18 november 2003 bij haar is aangeboden, gekeurd en afgemeld. Zij betoogt dat dit met de overgelegde verklaringen van de eigenaren van de Kia en van de Suzuki genoegzaam aannemelijk is en dat daarmee tevens aannemelijk is gemaakt dat zij niet vóór 18 november 2003 beschikte over het kenteken en het identificatienummer van de Suzuki zodat zij de Suzuki niet al op 14 november 2003 heeft kunnen afmelden.

   Dit betoog slaagt niet. De directeur heeft gesteld dat het registratiesysteem van de Dienst Wegverkeer bij de afmelding van een voertuig automatisch een unieke transactiecode genereert op basis van het ingevoerde kenteken, de datum en het tijdstip van afmelding. De directeur heeft voorts gesteld en ter zitting nader uiteen gezet dat de transactiecode die appellante ten gevolge van de afmelding op 14 november 2003 heeft ontvangen en die is vermeld op het keuringsrapport van de Kia, slechts door het registratiesysteem kan zijn gegenereerd indien niet het kenteken van de Kia doch dat van de Suzuki bij de afmelding is ingevoerd. Appellante heeft dit betoog niet gemotiveerd weerlegd.

   Ook is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam komen vast te staan dat zich op of omstreeks 14 november 2003 geen storingen in het computersysteem hebben voorgedaan. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de directeur ervan mocht uitgaan dat voor de Kia een keuringsrapport is afgegeven zonder dat deze was afgemeld. Dat niet is komen vast te staan hoe het kenteken en het identificatienummer van de Suzuki bij appellante bekend zijn geworden, kan, in aanmerking genomen dat daarvoor niet noodzakelijk is dat de Suzuki op 14 november 2003 bij appellante ter keuring is aangeboden, niet tot een ander oordeel leiden.

2.5.    Appellante voert voorts aan dat indien zij een fout heeft gemaakt bij het afmelden van de Kia, daarbij geen sprake is geweest van enig opzet en dat, mede in aanmerking genomen dat zij nooit eerder een keuringsrapport heeft afgegeven van een voertuig dat niet was afgemeld, de directeur haar slechts een voorwaardelijke intrekking van de keuringsbevoegdheid had mogen opleggen.

   Ook dit betoog faalt. Anders dan appellante stelt, heeft zij de ontvangen transactiecode niet mogen aanmerken als bewijs dat de afmelding van de Kia door de Dienst Wegverkeer is ontvangen en geregistreerd. Uit de ontvangst van een transactiecode blijkt immers wel dat een voertuig is afgemeld, doch niet dat bij de afmelding correcte gegevens zijn ingevoerd. Nu appellante geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de juistheid van de afmelding te controleren middels het dagregister of de maandelijkse factuur, kan niet worden staande gehouden dat haar niet kan worden verweten dat de Dienst Wegverkeer geen afmelding van de Kia heeft ontvangen. Voorts valt niet in te zien dat de omstandigheid dat appellante nooit eerder een keuringsrapport heeft afgegeven van een voertuig dat niet was afgemeld voor de directeur grond had moeten vormen om slechts een voorwaardelijke intrekking van de keuringsbevoegdheid op te leggen. Blijkens de toezichtbeleidsbrief erkenninghouders van 1 maart 2000, waarin het sanctiebeleid van de directeur is neergelegd, wordt bij het bepalen van de omvang van de sanctie de historische kwaliteit van de naleving van eisen en voorschriften in aanmerking genomen. De omstandigheid dat appellante nooit eerder een keuringsrapport heeft afgegeven van een voertuig dat niet was afgemeld, kan dan ook niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid op grond waarvan de directeur van het beleid had moeten afwijken. Op grond van het beleid vormt die omstandigheid geen reden om slechts tot oplegging van een voorwaardelijke sanctie over te gaan.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

413.