Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200409386/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van appellante om haar geboortedatum op de persoonslijst in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen van 2 april 1944 in 2 april 1935, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409386/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van appellante om haar geboortedatum op de persoonslijst in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen van 2 april 1944 in 2 april 1935, afgewezen.

Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 oktober 2004, verzonden op 15 oktober 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 december 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. M.A.V. Hoogerduyn, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door L.H. Drost, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

   Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voorzover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

   Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

   Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, van de Wet GBA, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    Appellante is sedert 1974 hier te lande geregistreerd met als geboortedatum 2 april 1944. Zij heeft verzocht om wijziging van die datum in 2 april 1935. In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het college de registratie van de geboortedatum van appellante niet hoefde te wijzigen op grond van de door haar overgelegde uitspraak van de Tweede Arrondissementsrechtbank van Bafra, Turkije (hierna: de rechtbank van Bafra) van 12 oktober 1999.

2.3.    Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college eisen mag stellen aan de inhoudelijke motiveringseisen van een vonnis van een bevoegde Turkse rechtbank, gewezen overeenkomstig het Turkse recht.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet GBA (TK 1988/1989, 21 123, nr. 3, p. 45) strekt artikel 37, tweede lid, van deze wet er onder meer toe te voorkomen dat gegevens betreffende de burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie worden opgenomen indien bij het tot stand komen van het brondocument naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht elementaire processuele regels niet in acht zijn genomen. Daarbij is als een van de eisen waaraan een buitenlandse rechterlijke uitspraak in dit verband moet voldoen, vermeld dat deze er blijk van moet geven op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens te zijn gebaseerd.

   Uit de uitspraak van de rechtbank van Bafra kan worden opgemaakt dat bij de beslissing tot rectificatie van de geboortedatum van appellante in aanmerking is genomen dat appellante blijkens een inschrijving in het familieregister op 1 januari 1950 is gehuwd en op 1 januari 1955 een kind heeft gekregen. Voorts zijn ter zitting onder ede afgelegde getuigenverklaringen in aanmerking genomen. Deze hielden blijkens de uitspraak slechts in dat de getuigen samen met appellante zijn opgegroeid, dat appellante rond de 62 jaar oud is, en dat bij de getuigen niet bekend is in welke maand appellante in 1935 is geboren. Met juistheid is in de aangevallen uitspraak overwogen dat uit de uitspraak van de rechtbank van Bafra niet blijkt wie als getuigen zijn gehoord en hoe oud de getuigen zijn, en dat op grond van de getuigenverklaringen niet kan worden geoordeeld dat appellante is geboren op 2 april 1935. Ook uit de gegevens uit het familieregister, waarvan overigens geen akten zijn overgelegd, kan de juiste geboortedatum van appellante niet worden afgeleid. Dat op grond van deze gegevens wellicht niet waarschijnlijk is dat appellante in 1944 is geboren, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de uitspraak van de rechtbank van Bafra niet is gebaseerd op, naar objectieve maatstaven gemeten, betrouwbare gegevens en dat de Nederlandse openbare orde zich derhalve verzet tegen wijziging van de in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde geboortedatum van appellante op grond van die uitspraak. Gelet hierop restte het college, gezien de dwingende formulering van artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA, geen ruimte om op basis van de uitspraak van de rechtbank van Bafra tot de door appellante voorgestane wijziging over te gaan op de grond dat appellante, zoals zij stelt, geen andere stukken kan overleggen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

413.