Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200502182/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) naar aanleiding van het door [partij] te [plaats] ingediende verzoek om handhaving onder meer ter zake van het bouwkundig splitsen van de woning op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], afwijzend beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502182/2.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeksters], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 04/2879 en SBR 04/3088 VV van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2005 in het geding tussen:

verzoeksters

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) naar aanleiding van het door [partij] te [plaats] ingediende verzoek om handhaving onder meer ter zake van het bouwkundig splitsen van de woning op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], afwijzend beslist.

Bij besluit van 29 april 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 september 2004 heeft het college, onder intrekking van het besluit van 29 april 2004, het bezwaar van [partij] gedeeltelijk gegrond verklaard en verzoeksters aangeschreven om binnen drie maanden na verzending van het besluit het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning als twee zelfstandige woningen te beëindigen en de woonvoorzieningen die de bewoning als twee zelfstandige woningen  mogelijk maken, te weten een tweede trapopgang in het rechtergedeelte van de woning en de scheidingswanden op de verdieping, te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 5000,00 per week met een maximum van € 25.000,00.

Bij uitspraak van 12 januari 2005, verzonden op 31 januari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 13 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 13 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 april 2005, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Boelens en ing. E.L. Habing, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt te meer, indien zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft geoordeeld.

2.2.    In hetgeen verzoeksters naar voren hebben gebracht, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van twee zelfstandige woningen.

De ter zitting getoonde en toegelichte (bouw)tekeningen van het pand geven objectief gezien voldoende steun voor dit standpunt.

De omstandigheid dat verzoeksters, ondanks het feit dat het betrokken perceel kadastraal is gesplitst langs de grens tussen beide woongedeelten, stellen niet de intentie te hebben één van de woningen separaat te verhuren dan wel te verkopen, leidt niet tot een ander oordeel.

2.3.    Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

328.