Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200409245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) appellant onder oplegging van dwangsommen gelast de wijzigingen aan de pergola op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) vóór 1 juli 2004 ongedaan te maken, met dien verstande dat een situatie ontstaat overeenkomstig bouwvergunning BA 2002-122.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409245/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 30 september 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) appellant onder oplegging van dwangsommen gelast de wijzigingen aan de pergola op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) vóór 1 juli 2004 ongedaan te maken, met dien verstande dat een situatie ontstaat overeenkomstig bouwvergunning BA 2002-122.

Bij besluit van 29 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 30 september 2004, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 4 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat appellant met het aanbrengen van een overkapping op en kozijnen tussen de staanders van de pergola, waardoor een serre is ontstaan, heeft gebouwd in afwijking van bouwvergunning BA 2002-122 die op 25 september 2002 is verleend voor het vergroten van de woning en het bouwen van een pergola met terras op het perceel.

   De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.    Op het perceel bevindt zich een woning die, inclusief een aangebouwd bijgebouw, een oppervlakte heeft van 134 m2 en een inhoudsmaat van 732 m3, en een aangebouwd bijgebouw (geen woonfunctie) met een oppervlakte van 51 m2.

   De serre, waarmee de woning is uitgebreid, heeft een oppervlak van circa 31,5 m2.

2.3.    Voor de serre kan niet zonder meer bouwvergunning worden verleend nu daarmee het maximaal toegestane oppervlak waarmee de woning op het perceel ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '96" (hierna: bestemmingsplan) in de vorm van een aangebouwd bijgebouw mag worden uitgebreid, wordt overschreden. Deze strijdigheid kan niet worden opgeheven met toepassing van vrijstellingsmogelijkheden van het bestemmingsplan. Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen zou in dit geval een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) moeten worden verleend.

   Blijkens de stukken van het geding is de woning waaraan de serre is gebouwd, gelegen buiten de bebouwde kom. Nu de serre een groter oppervlak heeft dan 25 m2, komt deze niet voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking. Niet in geschil is dat voor de serre geen vrijstelling als bedoeld in het tweede lid van artikel 19 van de WRO kan worden verleend. Verder heeft de voorzieningenrechter op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat legalisatie van de serre door middel van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO niet tot de mogelijkheden behoort, nu het provinciaal beleid zich daartegen verzet. De serre komt evenmin voor een vrijstelling in aanmerking indien appellant afziet van het bouwen van een stal voor kleinvee op het perceel, reeds omdat dit voor het ter plaatse geldende ruimtelijk beleid geen vergelijkbare gebouwen zijn. Dat het vorige bestemmingsplan meer bebouwing op het perceel toestond en dat op nabij gelegen percelen omvangrijke tuinbouwkassen zijn opgericht, leidt, wat daar ook van zij, niet tot het oordeel dat voor de serre vrijstelling zou moeten worden verleend.

   De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht was op legalisatie van de serre.

2.4.    Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn woning om gezondheidsredenen zodanig heeft aangepast, dat hij voornamelijk van de begane grond gebruik kan maken. Hij heeft de kamer waarin een bureau stond ten behoeve van zijn post en administratie, omgebouwd tot slaapkamer met aangepaste badkamer, en het bureau vervolgens in de serre geplaatst. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat deze omstandigheden niet van dien aard zijn dat zij een bijzonder geval opleveren op grond waarvan van handhavend optreden moest worden afgezien.

2.5.    De voorzieningenrechter is terecht tot de slotsom gekomen dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan het college niet in redelijkheid tot het opleggen van de dwangsom heeft kunnen besluiten.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

429-292.