Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200407568/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om de zonder bouwvergunning opgerichte paardenstal/schuur vóór 15 januari 2003 in zijn geheel van het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] te [plaats] (hierna: het perceel), te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407568/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om de zonder bouwvergunning opgerichte paardenstal/schuur vóór 15 januari 2003 in zijn geheel van het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] te [plaats] (hierna: het perceel), te verwijderen.

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de termijn voor het verwijderen van het gebouw verlengd tot 1 april 2004.

Bij uitspraak van 2 augustus 2004, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld, en R. Kok, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Hoekstra, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat er bouwwerkzaamheden aan de paardenstal/schuur zijn verricht zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning. Gelet hierop is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht bestond op legalisatie van de paardenstal/schuur. In dit verband wijst hij op het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en voert hij aan dat bouwwerkzaamheden aan de paardenstal/schuur zijn verricht in een periode van zes maanden. Tevens meent hij dat de rechtbank heeft miskend dat legalisering mogelijk is op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), dan wel door middel van een wijziging van het bestemmingsplan.

2.2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waar de paardenstal/schuur is opgericht de bestemming "Agrarisch gebied II".    Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat, dan wel nadien wordt gebouwd of kan worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en dat afwijkt van dit plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, mits het bouwwerk niet wordt vergroot, in de aard van het bouwwerk geen verandering wordt aangebracht en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan.

2.2.2.    Niet in geschil is dat de paardenstal/schuur, die dient ten behoeve van de burgerwoning op het perceel, niet in overeenstemming is met de bestemming "Agrarisch gebied II". De rechtbank heeft voorts terecht vastgesteld dat de paardenstal/schuur als gevolg van de bouwwerkzaamheden geheel is vernieuwd en derhalve niet meer kan worden aangemerkt als de oude - gedeeltelijk vernieuwde - paardenstal/schuur die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestond. Het overgangsrecht biedt reeds hierom geen titel voor het alsnog verlenen van een bouwvergunning. De omstandigheid dat de vernieuwing in een periode van zes maanden in fases heeft plaatsgevonden is in dit verband niet relevant. Het bestemmingsplan bevat geen vrijstellingsmogelijkheden voor de bouw van de paardenstal/schuur.

   Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, geen plaats is. Daartoe heeft het overwogen dat het bestemmingsplan recentelijk onherroepelijk is geworden en dat het toestaan van bebouwing ten behoeve van een woning buiten het vlak met die bestemming, een precedentwerking zal hebben met als gevolg versnippering van bebouwing in het buitengebied, hetgeen zij ruimtelijk ongewenst acht. Het wijzigen van het bestemmingsplan ligt, gelet op het ruimtelijk beleid, evenmin in de rede.

   De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake was van concreet uitzicht op legalisering.

2.3.    Appellant betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen hij overigens heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een bijzonder geval op grond waarvan het college van handhavend optreden moest afzien.

   Dit betoog faalt evenzeer. Het college heeft zich bij de beslissing op bezwaar in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant aangevoerde omstandigheden - te weten het te goeder trouw afgaan op zijn aannemer, de stelling dat de paardenstal/schuur vanaf de openbare weg niet zichtbaar is, het ontbreken van verzoeken van derden om handhavend op te treden, zijn belang bij het behoud van de paardenstal/schuur alsmede de schade door gedwongen verkoop van paarden - niet van dien aard zijn dat van handhavend optreden moest worden afgezien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant, door te bouwen zonder de vereiste vergunning, een risico heeft genomen waarvan hij de gevolgen niet aan het college kan tegenwerpen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

429-292.