Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200407251/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft appellante (hierna: het college) een vergunning voor het vellen van negen eikenbomen verleend aan [vergunninghouder], de projectleider van de nieuwbouwwijk "Vrachelen III".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 389 met annotatie van R.S. Wertheim
JBO 2005/146
JOM 2007/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407251/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 13 juli 2004 in het geding tussen:

de vereniging "Milieuvereniging Oosterhout", gevestigd te Oosterhout

en

appellante.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft appellante (hierna: het college) een vergunning voor het vellen van negen eikenbomen verleend aan [vergunninghouder], de projectleider van de nieuwbouwwijk "Vrachelen III".

Bij besluit van 14 juni 2004 heeft het college het daartegen door de Milieuvereniging Oosterhout (hierna: de milieuvereniging) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2004, verzonden op 20 juli 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover hier van belang, het daartegen door de milieuvereniging ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 september 2004. De laatste brief is aangehecht.

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft de milieuvereniging van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.J. Sanders en R. Tuin, ambtenaren bij de gemeente, en de milieuvereniging, vertegenwoordigd door ir. R. Kalwij en drs. Th.M.F. Ex, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De kapvergunning is verleend in verband met het vermoeden dat zich in de strook waarin de betreffende bomen staan asbest in de grond bevindt. Het college wenst de strook grond te saneren, omdat ter plekke een speelplaats is gepland.

2.2.    De voorzieningenrechter is bij de aangevallen uitspraak terecht tot de slotsom gekomen dat de bestreden beslissing op bezwaar van 14 juni 2004, waarbij de kapvergunning is gehandhaafd, niet in stand kan blijven. Daarbij heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het door de deskundige van het college verrichte onderzoek geen duidelijk antwoord geeft op de vragen of in en onder de wortelpruiken van de bomen, al dan niet hechtgebonden, asbest aanwezig is en zo ja, of het asbest de interventiewaarde overschrijdt en evenmin hoe reëel de kans is dat eventueel aanwezig asbest ooit aan de oppervlakte zal komen indien de bomen niet worden gerooid. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geconcludeerd dat verder onderzoek daarnaar niet achterwege had mogen blijven. Zonder een dergelijk onderzoek kan de maatschappelijke onrust omtrent de wellicht aanwezige asbestverontreiniging niet doorslaggevend zijn voor het verlenen van de vergunning. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 14 juni 2004 terecht in strijd geacht met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Hetgeen het college in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dit niet anders. Niet is aannemelijk gemaakt dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest tussen het wortelgestel niet mogelijk zou zijn zonder de bomen onherstelbaar te beschadigen, terwijl verder niet is gebleken dat - zo dat nodig zou zijn - niet op andere wijze dan door het geheel verwijderen van de strook grond waarin zich de bomen bevinden, kan worden voorkomen dat eventueel aanwezige asbest aan de oppervlakte komt. Dat - zoals het college heeft aangevoerd - de vitaliteit van de bomen mede zou nopen tot het kappen ervan, is blijkens het primaire besluit en de beslissing op bezwaar niet aan het verlenen van de kapvergunning ten grondslag gelegd, zodat de Afdeling daaraan voorbij gaat.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

47-465.