Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200407685/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouder van Leeuwarden (hierna: het college) aan [aanvrager] een ontheffing van de bouwverordening van de gemeente Leeuwarden (hierna: de bouwverordening) en een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor de oprichting van een appartementengebouw met parkeerkelder op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407685/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 26 augustus 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouder van Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouder van Leeuwarden (hierna: het college) aan [aanvrager] een ontheffing van de bouwverordening van de gemeente Leeuwarden (hierna: de bouwverordening) en een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor de oprichting van een appartementengebouw met parkeerkelder op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar - onder verlening van twee nadere ontheffingen van de bouwverordening en wijziging van de grondslag van de eerder verleende ontheffing - ongegrond verklaard en de bouwvergunning met inachtneming van een wijziging van het bouwplan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 26 augustus 2004, verzonden op 30 augustus 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 13 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van 20 oktober 2004 en 18 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2005, waar [een der appellanten], en het college, vertegenwoordigd door M. Weber, ambtenaar van de gemeente Leeuwarden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.     Ter plaatse van het perceel waarop het bouwplan ziet is geen bestemmingsplan van kracht. Het bouwplan moet worden getoetst aan de stedenbouwkundige bepalingen van de gemeentelijke bouwverordening.

2.2.    In gevolge artikel 2.15.17, eerste lid, onder a., van de gemeentelijke bouwverordening moet de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn.

   Blijkens de bouwtekening bedraagt de hiervoor bedoelde afstand minimaal 1,3 meter. Voornoemd artikel biedt derhalve geen grond de bouwvergunning te weigeren. De belangen van appellanten die worden geraakt door de situering van het bouwplan ten opzichte van hun woning zouden in deze procedure alleen een rol kunnen spelen bij de vraag of in redelijkheid ontheffing verleend kon worden van het bepaalde in artikel 2.15.17, eerste lid, onder a. Een dergelijke ontheffing is echter niet vereist.

2.3.     De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de gevolgen van het vergunde bouwplan, voorzover daarvoor ontheffingen van de gemeentelijke bouwverordening zijn verleend, voor het woon- en leefklimaat van appellanten niet onevenredig bezwarend zijn. In hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, kan geen grond worden gevonden voor een ander oordeel.

2.4.    Voor zover appellanten stellen schade te lijden als gevolg van de verlening van de bouwvergunning, merkt de Afdeling op dat dit belang in deze procedure alleen een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid de gevraagde ontheffingen kon verlenen. Er bestaat evenwel geen grond te oordelen dat, in het bijzonder ten gevolge van het verlenen van ontheffing van de bouwverordening voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn ten behoeve van een balkon, schade wordt geleden die van dien aard is dat het college daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Tulmans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

17-381.