Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200408046/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) - opnieuw beslissend op het bezwaarschrift van appellanten tegen het niet toekennen bij besluit van 11 maart 1999 van een tegemoetkoming op de voet van de Regeling oogstschade 1998 (hierna: de Regeling) - het bezwaar gegrond verklaard en de tegemoetkoming vastgesteld op € 68.104,54.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408046/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 september 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) - opnieuw beslissend op het bezwaarschrift van appellanten tegen het niet toekennen bij besluit van 11 maart 1999 van een tegemoetkoming op de voet van de Regeling oogstschade 1998 (hierna: de Regeling) - het bezwaar gegrond verklaard en de tegemoetkoming vastgesteld op € 68.104,54.

Bij uitspraak van 1 september 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de tegemoetkoming betreft en bepaald dat appellanten recht hebben op een bedrag van € 68.110,95. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 november 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. ir. J.L. Mieras, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. E.T. Stevens, werkzaam bij Laser, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Regeling bevat regels voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de oogstschade als gevolg van extreme weersomstandigheden in het najaar van 1998.

   In artikel 5, tweede lid, van de Regeling, voorzover hier van belang, is een formule opgenomen die inhoudt dat voor de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen schade per gewascategorie 30% van de geprognosticeerde opbrengsten van de tot de gewascategorie behorende gewassen op de berekende schadebedragen in mindering wordt gebracht.

   Volgens artikel 5, derde lid, van de Regeling bedraagt de tegemoetkoming 90% van de som van de voor de tegemoetkoming in aanmerking te nemen schades per gewascategorie.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten een eigen risico van 30% toe te passen. Appellanten voeren daartoe aan dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu in gebieden waarin respectievelijk de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 en de Regeling tegemoetkoming bij tweede extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS1- en de WTS2-regelingen) geldt, een minder hoog eigen risico wordt toegepast. Volgens appellanten is sprake van concurrentievervalsing, hetgeen in strijd is met de Europese regelgeving.

2.2.1.    De Afdeling overweegt dienaangaande in de eerste plaats dat vaststaat dat de Europese Commissie de Regeling met inbegrip van de in artikel 5 neergelegde systematiek heeft goedgekeurd.

   Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 18 september 2002, in zaak no. 200200092/1, moet de regeling worden gekwalificeerd als een beleidsregel die zijn grondslag vindt in de discretionaire bestuursbevoegdheid ter zake van de Minister. Niet gesteld kan worden dat de Minister, in aanmerking nemend de belangen die aan hem ten tijde van de totstandbrenging van de Regeling bekend waren of behoorden te zijn, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een beperking van de toe te kennen tegemoetkomingen tot het in de Regeling neergelegde niveau. De Regeling beoogt slechts een tegemoetkoming te verstrekken in de geleden schade en geen volledige vergoeding ervan. Mitsdien bestaat geen grond voor het oordeel dat de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten een eigen risico van 30 % toe te passen. Daarmee wordt, zoals ook in de toelichting bij de Regeling staat vermeld, aangesloten bij de door de Europese Commissie (in het kader van de artikelen 87 en 88 - voorheen 92 en 93 - van het EG-verdrag) gehanteerde norm bij de beoordeling of steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn, namelijk dat de slechte weersomstandigheden tot ten minste 30% productieverlies moeten hebben geleid in vergelijking met de normale productie van het betrokken bedrijfsonderdeel, voordat die als natuurramp kunnen gelden en tot het vergoeden van schade mag worden overgegaan. Daarin ligt ook het verschil besloten dat bestaat tussen de Regeling en de WTS1- en WTS2-regelingen. In laatstvermelde regelingen is niet een vergelijkbaar eigen risico opgenomen, nu de gebieden waarvoor deze regelingen gelden, blijkens de brieven van de Minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 17 november 1998 en 7 december 1998 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 24 071, nr. 42 en 44), getroffen zijn door weersomstandigheden die, anders dan de gebieden waarvoor de Regeling geldt, het kader van ongunstige weersituaties te buiten gaan en op één lijn zijn te stellen met een overstroming, zodat de wateroverlast binnen de WTS-gebieden rechtstreeks als natuurramp moet worden aangemerkt.

   Met betrekking tot het beroep op het verschil tussen de Regeling en de WTS1- en WTS2-regelingen heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat het om verschillende compensatieregimes gaat. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel en concurrentievervalsing is geen sprake.

2.3.    Voorts betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister op goede gronden de besparing van 10% op de niet geoogste hectares vlas heeft toegepast. Daartoe voeren appellanten aan dat ten aanzien van dit vlas wel degelijk oogstwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, nu het vlas is geplukt, gekeerd en in pakken gerold. Volgens appellanten heeft alleen het transport naar het bedrijf niet plaatsgevonden.

2.3.1.    Hoewel de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister op grond van artikel 5, derde lid, van de Regeling verplicht is om de tegemoetkoming op 90% van de geleden schade te bepalen - de Regeling is immers een beleidsregel, hetgeen, overeenkomstig artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht meebrengt dat daarvan in bijzondere gevallen kan worden afgeweken -, kan niet worden staande gehouden dat de Minister niet in redelijkheid de tegemoetkoming op grond van het bepaalde in dit artikellid heeft kunnen korten met 10%. In de toelichting bij de Regeling is dienaangaande vermeld dat de aftrek wordt toegepast ter zake van kosten als gewasbeschermingsmiddelen, oogstwerkzaamheden, opslag- en transportkosten, die de ondernemer normaliter gemaakt zou hebben maar die nu achterwege hebben kunnen blijven. Omwille van de uitvoerbaarheid van  de Regeling is daarbij gekozen voor een vast percentage in plaats van een percentage per gewas en per bedrijf. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het hier aan de orde zijnde vlas in die mate oogstwerkzaamheden hebben verricht dat de Minister niet aan dit percentage heeft kunnen vasthouden. De Minister heeft daarbij van belang kunnen achten dat appellanten geen kosten hebben gemaakt voor transport, opslag en verwerking van het vlas. Dit is temeer het geval nu de Minister ter vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming, in plaats van het normbedrag (de zogeheten KWIN-norm) dat voor het telen van vlas in de bijlage bij de Regeling is opgenomen te hanteren, gerekend heeft met een specifiek op de bedrijfsvoering van appellanten toegespitst - hoger - normbedrag, waarbij de omstandigheid is betrokken dat appellanten naast de teelt van vlas dit ook verwerken tot een eindproduct.

2.4.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient - met verbetering van de gronden - te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

47-435.