Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200407998/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) bepaald dat appellante vanaf 1 augustus 2004 dwangsommen verbeurt van € 1.000,00, tot een maximum van € 26.000,00, voor elke keer dat wordt geconstateerd dat appellante in het pand op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) een kindercentrum in gebruik heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407998/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 augustus 2004, 04/414 WRO V1 A, in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) bepaald dat appellante vanaf 1 augustus 2004 dwangsommen verbeurt van € 1.000,00, tot een maximum van € 26.000,00, voor elke keer dat wordt geconstateerd dat appellante in het pand op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) een kindercentrum in gebruik heeft.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2004, 04/414 WRO V1 A, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college de begunstigingstermijn van de dwangsom verlengd tot 31 juli 2005. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 23 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door M.A.J. Heupink, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door E.S. Fikkert en M. Hesselink, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 oktober 2004.

2.2.    Niet in geschil is dat vanwege het gebruik van de woning op het perceel ten behoeve van een kindercentrum, in strijd is gehandeld met het in artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde verbod om opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden (200407992/1) heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht bestond op legalisatie van het gebruik van de woning op het perceel ten behoeve van een kindercentrum.

   Voor het betoog van appellante dat het college in vergelijkbare gevallen wel tot legalisatie is overgegaan, wordt verwezen naar de voormelde uitspraak van de Afdeling. Anders dan appellante kennelijk meent kan dat betoog hier, in het thans aan de orde zijnde geschil, reeds niet leiden tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat daarmee niet is aangevoerd dat er gevallen zijn, vergelijkbaar met het perceel, waarin het college van handhavend optreden heeft afgezien.

   Appellante beroept zich tevergeefs op het vertrouwensbeginsel nu niet is gebleken dat het college, het terzake bevoegde orgaan, concreet de toezegging heeft gedaan dat het niet handhavend zou optreden tegen de illegale situatie. Het door appellante aangehaalde overleg met een wethouder kan niet als een dergelijk concrete toezegging van het college worden aangemerkt. Te minder nu deze wethouder bij brief van 28 juli 2004 te kennen heeft gegeven de door appellante gemaakte aantekeningen van dit gesprek, niet te onderschrijven. Van een gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen is dan ook geen sprake.

   De omstandigheid dat appellante de woning op het perceel reeds een paar jaar ten behoeve van een kindercentrum, zij het van beperktere omvang, gebruikt leidt evenmin tot het oordeel dat het college daartegen, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, geen handhavingsmaatregelen kon treffen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college daarvan op de hoogte was.

   De rechtbank is derhalve terecht, zij het deels op andere gronden, tot de slotsom gekomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college moest afzien van handhavend optreden.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, onder verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5.    De bij besluit van 19 oktober 2004 verlengde begunstigingstermijn is in het voordeel van appellante, waartegen dan ook geen gronden zijn gericht. Het beroep tegen dit besluit is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 19 oktober 2004 van het college van burgemeester en wethouders van Almelo ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

292.