Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200402715/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Buren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Uiterwaarden Buren 2002" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402715/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2A], wonend te [woonplaats],

      [appellante sub 2B], gevestigd te [plaats],

      [appellante sub 2C], gevestigd te [plaats],

      [appellante sub 2D], gevestigd te [plaats],

      [appellante sub 2E], gevestigd te [plaats],

      en de commanditaire vennootschap "Skinspark Nederland C.V.", gevestigd te Lienden,

3.    de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Ingensche Waarden B.V." en "Biesbosch B.V.", gevestigd te Vught,

4.    [appellanten sub 4], gevestigd te [plaats],

5.    de stichting "Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken", gevestigd te Buren,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Buren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Uiterwaarden Buren 2002" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 januari 2004, kenmerk RE2003.56847, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij faxbericht van 30 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 2 bij faxbericht van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 3 bij brief van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2004, appellante sub 4 bij brief van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, en appellante sub 5 bij brief van 13 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 4 mei 2004.

Verweerder heeft bij brief van 24 mei 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 september 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3 en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. van Ophuizen, advocaat te Lienden, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, appellante sub 4, vertegenwoordigd door J.B. van Mourik, gemachtigde, appellante sub 5, vertegenwoordigd door A. Hermkes en J.T. Wildschut, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Waterval en H.A.A. Stakenburg, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.G. van Doorn en E. van Wijk-van Dam, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

Dit is slechts anders, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bedenkingen in te brengen.

2.1.1.    Blijkens de publicaties inzake het vastgestelde plan eindigde de termijn voor het indienen van bedenkingen op 16 juli 2003.

2.1.2.    In dit verband overweegt de Afdeling over het beroep van appellanten sub 2 voorzover ingediend namens Skinspark Nederland C.V. wat betreft de goedkeuring van de in het plan voor haar gronden opgenomen aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten" het volgende.

Uit de stukken blijkt dat Skinspark Nederland C.V. haar bedenkingengeschrift heeft gedateerd op 20 juni 2003 en op het gemeentehuis heeft afgegeven. Op haar bedenkingen staat een datumstempel van de gemeente met als datum van ontvangst: 17 juli 2003.

Skinspark Nederland C.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar bedenkingen niet op 17 juli 2003 zijn ingediend.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat Skinspark Nederland C.V. haar bedenkingen op 17 juli 2003 heeft ingediend.

Gelet hierop heeft Skinspark Nederland C.V. niet binnen de in artikel 27, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn bedenkingen tegen het plan ingebracht. De vraag of de gemeenteraad de bedenkingen van Skinspark Nederland C.V. al dan niet tijdig heeft doorgestuurd kan daarom onbesproken blijven. De in overweging 2.1. genoemde omstandigheden voorzover hier van belang doen zich niet voor.

Het beroep van appellanten sub 2 voorzover ingediend namens Skinspark Nederland C.V. wat betreft de goedkeuring van de in het plan voor haar gronden opgenomen aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten" is niet ontvankelijk.

2.1.3.    De Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken heeft niet binnen de in artikel 27, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder.

Uit de stukken blijkt dat de Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken heeft gepoogd op de avond van 16 juli 2003 haar bedenkingen per faxbericht naar verweerder te verzenden. Blijkens de stukken en zoals de Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken ter zitting zelf heeft gesteld, is dit niet gelukt.

Tevens heeft appellante haar bedenkingen per brief ingediend. Blijkens de stempel met de datum van binnenkomst op deze brief heeft verweerder deze bedenkingen op 18 juli 2003 ontvangen. Op de bij deze brief horende envelop staat een poststempel met de datum van 17 juli 2003, zodat het er voor moet worden gehouden dat de brief op deze dag ter post is bezorgd.

Geen van de in overweging 2.1. genoemde omstandigheden voorzover hier van belang doet zich voor.

Het beroep van de Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken is niet ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Beroepen tegen onthouding van goedkeuring aan onderdelen van de artikelen 9, 13 en 32 van de planvoorschriften maatbestemming (artikel 13, onder a, van de planvoorschriften)

Standpunt appellanten

2.3.    [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de zinsnede "specifiek riviergebonden bedrijvigheden, dan wel" van artikel 13, onder a, van de planvoorschriften. Volgens appellanten brengt deze onthouding van goedkeuring mee dat hun gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" nog slechts bestemd zijn voor bestaande bedrijvigheden. Zij stellen dat de aldus beperkte bestemming hun bedrijven moeilijk verkoopbaar maakt en hun gronden in waarde doet dalen.

Het bestreden besluit

2.3.1.    Verweerder heeft dit planvoorschrift in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij stelt dat het planvoorschrift op dit punt in strijd met de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier (verder: beleidslijn) nieuwe activiteiten in het winterbed van de Lek mogelijk maakt zonder een toets aan het in de beleidslijn neergelegde beleid. Volgens de beleidslijn kunnen slechts bestaande activiteiten worden bestemd, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.3.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.3.3.    Het plan voorziet in een herziening van diverse bestemmingsplannen voorzover deze de gronden in de uiterwaarden van de Lek in de gemeente Buren betreffen. Met het plan wordt beoogd een bestemmingsregeling te treffen, die is aangepast aan het rijks- en provinciale hoogwaterbeleid zoals neergelegd in de beleidslijn.

2.3.4.    De beleidslijn, zoals bekendgemaakt in de Staatscourant van 12 mei 1997, heeft blijkens zijn tekst als doelstelling meer ruimte voor de rivier te scheppen, mens en dier duurzaam te beschermen tegen overstroming en materiële schade te beperken. In de beleidslijn, die van toepassing is verklaard op alle nieuwe activiteiten in het winterbed van de grote rivieren, geldt als hoofdlijn dat in het winterbed van de grote rivieren in principe geen nieuwe ingrepen worden toegestaan die zouden leiden tot waterstandsverhoging in de huidige situatie, en/of tot feitelijke belemmeringen voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, en/of tot potentiële schade bij hoogwater.

Voor nieuwe ingrepen die wel tot bovengenoemde effecten zouden kunnen leiden, wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die op voorhand onlosmakelijk gebonden zijn aan het winterbed van de rivier ("ja, mits"-activiteiten) en overige activiteiten ("nee, tenzij"-activiteiten).

De beleidslijn bepaalt ten aanzien van de "ja, mits"-activiteiten dat deze ingrepen alleen mogelijk zijn indien de situering en uitvoering van de ingreep zodanig zijn, dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn. Voorts moet duurzame compensatie van resterende waterstandsverhogende effecten worden geboden, en een beschermingsniveau van 1:1250 worden gewaarborgd.

De beleidslijn bepaalt voorts ten aanzien van de "nee, tenzij"-activiteiten dat deze ingrepen in principe niet worden toegestaan, tenzij op basis van voorafgaand onderzoek kan worden aangetoond dat sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, de activiteit niet redelijkerwijs buiten het winterbed kan worden gerealiseerd en de activiteit op de locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten. Voor nieuwe activiteiten die na deze afweging resteren, gelden de "ja, mits"-criteria.

In het Streekplan Gelderland 1996 (verder: streekplan) is het provinciale beleid ten aanzien van de uiterwaarden neergelegd (p. 92 e.v.). Hierin is aangegeven dat het rijksbeleid, neergelegd in de beleidslijn, op hoofdlijnen is geïmplementeerd in het streekplan.

2.3.5.    Ingevolge artikel 13, onder a, van de planvoorschriften voorzover hier van belang zijn de op de plankaart voor "Riviergebonden bedrijfsterrein" aangewezen gronden bestemd voor specifiek riviergebonden bedrijvigheden, dan wel bestaande bedrijvigheden zoals deze voor de desbetreffende gronden nader zijn aangeduid op de plankaart;

"AT = Aannemers- en transportbedrijf": bestemd voor de opslag van bouwmaterialen en bouwmaterieel van een aannemersbedrijf, de vervaardiging van omvangrijke beton- en staalconstructies en de opslag, overslag en het sorteren van bouw- en sloopafval en voor het bijhorend vervoer over de weg en over water;

"Bs = Baksteenfabriek": bestemd voor de fabricage van baksteen;

"HVA = Handel in en verwerking van agrarische producten": bestemd voor de handel in en verwerking van agrarische producten;

"HVDv = Handel in en verwerking van diervoeders": bestemd voor de handel in en verwerking van diervoeders;

"HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten": bestemd voor de handel in en verwerking van dierlijke producten.

2.3.6.    Het plan voorziet voor de gronden van [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E], die in het winterbed van de Lek liggen, in de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein".

De gemeenteraad heeft met het plan beoogd deze gronden overeenkomstig het bestaande gebruik te bestemmen door hiervoor naast de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" een aanduiding in overeenstemming met het gebruik ter plaatse - zoals genoemd in artikel 13, onder a, van de planvoorschriften - op te nemen.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.7.    Artikel 13, onder a, van de planvoorschriften voorzover hier van belang maakt naast bestaande bedrijvigheden de vestiging van nieuwe specifiek riviergebonden bedrijvigheden in het winterbed van de Lek mogelijk zonder een daaraan voorafgaande toets zoals in de beleidslijn geformuleerd.

Verweerder heeft dit planvoorschrift op dit punt terecht in strijd met het in de beleidslijn geformuleerde beleid geacht.

De na de onthouding van goedkeuring resterende planregeling, waarin aansluiting is gezocht bij het bestaande gebruik op de gronden van [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E], brengt een beperking van het gebruik van deze gronden met zich.

De Afdeling overweegt dat de belangen genoemd in de doelstelling van de beleidslijn deze beperking rechtvaardigen.

In hetgeen appellanten over de verkoopbaarheid van hun bedrijven hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid zoals neergelegd in de beleidslijn heeft kunnen vasthouden.

Verder bestaat wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de bedrijfspercelen betreft, geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zinsnede "specifiek riviergebonden bedrijvigheden, dan wel" van artikel 13, onder a, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

opslagmogelijkheden (artikel 9, tweede lid, onder b, artikel 13, vierde lid, onder b, en twaalfde lid van de planvoorschriften)

Standpunt appellanten

2.4.    [appellante sub 4] en [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 13, twaalfde lid, van de planvoorschriften en aan de zinsnede "voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 2 meter" in artikel 9, tweede lid, onder b, en aan de zinsnede "voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 meter" in artikel 13, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften. Volgens appellanten brengt deze onthouding van goedkeuring tenminste tot het plan op grond van artikel 30 van de WRO wordt herzien ernstige beperkingen voor hun bedrijfsvoering met zich, nu het plan hierdoor opslag van goederen en materieel op hun bedrijfsgronden niet mogelijk maakt. Bovendien stellen zij dat de beleidslijn niet van toepassing is op de opslag door bedrijven, aangezien dit geen nieuwe activiteiten betreffen die onomkeerbaar zijn.

Het bestreden besluit

2.4.1.    Verweerder heeft deze planvoorschriften in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden, omdat deze planvoorschriften in zoverre in strijd met de beleidslijn geen maximum stellen aan de voor buitenopslag beschikbare oppervlakte op de gronden met de bestemming "Haven" en "Riviergebonden bedrijfsterrein".

Vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.3.    Ingevolge artikel 30 van de WRO voorzover hier van belang stelt de gemeenteraad een nieuw plan vast, indien door het college van gedeputeerde staten goedkeuring aan een vastgesteld plan is onthouden.

2.4.4.    Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften is het gebruik van gronden met de bestemming "Haven" voor opslag van goederen en materieel in de openlucht verboden voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 2 meter.

Ingevolge artikel 13, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften is het gebruik van gronden met de bestemming "Haven" respectievelijk "Riviergebonden bedrijfsterrein" voor opslag van goederen en materieel in de openlucht verboden voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 meter.

Ingevolge artikel 13, twaalfde lid, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4, onder b, voor de opslag van goederen en materieel in de openlucht tot een hoogte van meer dan 4 m, indien en voorzover:

a. het betreft de opslag van grind, zand en klei en de grotere hoogte noodzakelijk is in verband met de aard van de bedrijvigheid;

b. de hoogte niet meer bedraagt dan 15 m.

2.4.5.    Voor het beleid van de beleidslijn wordt naar overweging 2.3.4. verwezen.

2.4.6.    Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de onthouding van goedkeuring aan de desbetreffende planvoorschriften niet is gebeurd met het oog op de bestaande activiteiten of omdat hij in het algemeen tegen de daarin mogelijk gemaakte nieuwe activiteiten in het plangebied is. De goedkeuring is onthouden omdat deze planvoorschriften nieuwe activiteiten in de uiterwaarden mogelijk maken zonder voorafgaande toets of deze activiteiten in overeenstemming zijn met de belangen waarop de beleidslijn ziet.

2.4.7.    Blijkens het deskundigenbericht slaan [appellante sub 4], [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] op hun bedrijfspercelen in meer of mindere mate goederen en materieel op in de openlucht. Deze opslag fluctueert afhankelijk van het seizoen en het economisch klimaat.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.8.    Blijkens de stukken betreft de opslag op de bedrijfspercelen van genoemde appellanten onder meer kleidepots met een oppervlakte van enkele duizenden vierkante meter, containers, grote partijen bakstenen en ander bouwmaterieel. Uit de stukken blijkt dat appellanten op hun bedrijfspercelen in het winterbed van de Lek altijd een minimale hoeveelheid opslag aanhouden, waarbij de omvang van deze opslag afhankelijk van genoemde factoren toe- en afneemt.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze opslag in het plangebied van invloed is op het waterbergend vermogen van het winterbed van de Lek.

Derhalve heeft verweerder de beleidslijn van toepassing kunnen achten op de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van opslagmogelijkheden in het winterbed van de Lek.

In de desbetreffende planvoorschriften voorzover hier van belang is geen maximum gesteld aan de grondoppervlakte te gebruiken voor opslag op de gronden met de bestemmingen "Haven" en "Riviergebonden bedrijfsterrein".

Artikel 9, tweede lid, onder b en artikel 13, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften maken op deze gronden onbeperkte uitbreiding van de bestaande opslag mogelijk zonder een daaraan voorafgaande toets zoals in de beleidslijn geformuleerd.

Artikel 13, twaalfde lid, van de planvoorschriften maakt op deze gronden uitbreiding van de bestaande opslag mogelijk tot een hoogte van 15 meter zonder de hiervoor bedoelde toets.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder deze planvoorschriften in zoverre terecht in strijd met het in de beleidslijn geformuleerde beleid geacht.

In hetgeen [appellante sub 4] en [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] hebben aangevoerd over de uitbreiding van hun opslagmogelijkheden, ziet de Afdeling gelet op de belangen genoemd in de doelstelling van de beleidslijn geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het hierin neergelegde beleid heeft kunnen vasthouden.

Appellanten stellen terecht dat met deze onthouding van goedkeuring het plan ook in de weg staat aan de bestaande opslag. Echter blijkens de stukken en zoals ter zitting door verweerder gesteld, kan aan deze bedrijfsbelangen worden tegemoetgekomen bij de aanpassing van het plan op grond van artikel 30 van de WRO door de gemeenteraad.

Overigens kan de bestaande opslag ter plaatse tot het moment van de vaststelling van het artikel 30-plan doorgang vinden onder het overgangsrecht van het plan.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de belangen waarop de beleidslijn ziet dan aan belang bij in het plan mogelijk gemaakte opslag zonder oppervlaktelimitering.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 13, twaalfde lid, van de planvoorschriften in zijn geheel, de zinsnede "voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 2 meter" in artikel 9, tweede lid, onder b, en de zinsnede "voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 meter" in artikel 13, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

vrijstelling maximale hoogte van bedrijfsgebouwen/-bouwwerken (artikel 13, zestiende lid, van de planvoorschriften)

Standpunt appellanten

2.5.    [appellante sub 2B] en [appellante sub 2E] hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 13, zestiende lid, van de planvoorschriften. Zij betogen dat deze onthouding van goedkeuring beperkingen voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2E] met zich brengt.

Het bestreden besluit

2.5.1.    Verweerder heeft dit planonderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden, omdat het voorschrift op de gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" nieuwe ingrepen in het winterbed van de Lek zonder toets aan de beleidslijn mogelijk maakt.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.3.    Ingevolge artikel 13, zestiende lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het zevende lid of het achtste lid op gronden op de kaart nader aangeduid met AT (Aannemers- en transportbedrijf), Bsv (Boomschorsverwerkingsbedrijf) of HVA (Handel in en verwerking van agrarische producten), voor de bouw van bedrijfsgebouwen en/of bedrijfsbouwwerken in verband met de aard en omvang van de bij het productieproces benodigde installaties en/of van de te vervaardigen constructies tot een hoogte van maximaal 15 meter en een goothoogte van maximaal 10 meter.

2.5.4.    Voor het beleid in de beleidslijn en hetgeen verweerder daarover ter zitting voorzover hier van belang heeft gesteld wordt verwezen naar overweging 2.3.4. respectievelijk 2.4.6.

2.5.5.    De gronden van [appellante sub 2B] en [appellante sub 2E] hebben voorzover hier van belang de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met een aanduiding  "AT = Aannemers- en transportbedrijf" respectievelijk "Bs = Baksteenfabriek".

Het oordeel van de Afdeling

2.5.6.    Artikel 13, zestiende lid, van de planvoorschriften maakt nieuwe ingrepen in het winterbed van de Lek mogelijk zonder toets aan het in de beleidslijn geformuleerde beleid.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder dit planvoorschrift terecht in strijd geacht met het in de beleidslijn neergelegde beleid.

Dit planvoorschrift ziet niet op de reeds gebouwde loods van [appellante sub 2B] en ook niet op constructies zoals door haar worden vervaardigd.

In hetgeen [appellante sub 2B] over de beperking van haar bedrijfsvoering heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid zoals neergelegd in de beleidslijn heeft kunnen vasthouden.

Daarnaast heeft artikel 13, zestiende lid, van de planvoorschriften geen betrekking op gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met de aanduiding "Bs = Baksteenfabriek" die aan het bedrijfsperceel van [appellante sub 2E] is toegekend.

Bovendien heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de bedrijfsgronden van [appellante sub 2E] met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met de aanduiding "Bs = Baksteenfabriek". De plannen ter plaatse een op- en overslagbedrijf te starten met het oog waarop het beroep van [appellante sub 2E] is ingesteld kunnen derhalve bij dit plan op deze gronden niet worden verwezenlijkt.

In hetgeen [appellante sub 2E] over de beperkingen van de door haar voorgenomen bedrijfsvoering ter plaatse heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid zoals neergelegd in de beleidslijn heeft kunnen vasthouden.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 13, zestiende lid, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

bedrijfsbouwwerken, geen gebouwen zijnde (artikel 13, vijfde lid, onder b, en achtste lid, onder a en b van de planvoorschriften)

Standpunt appellanten

2.6.    [appellante sub 2C], [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 13, vijfde lid, onder b, en artikel 13, achtste lid, onder a en b, van de planvoorschriften.

Daarbij hebben zij aangevoerd dat de onthouding van goedkeuring van deze bepalingen in strijd is met de rechtszekerheid nu de op hun percelen aanwezige schoorsteen en silo's hierdoor onder het overgangsrecht vallen.

[appellante sub 2E] stelt dat deze onthouding van goedkeuring beperkingen voor haar bedrijfsvoering met zich brengt.

Het bestreden besluit

2.6.1.    Verweerder heeft deze planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder betreffen nieuwe ingrepen als bedoeld in de beleidslijn ook bouwwerken geen gebouwen zijnde. In de desbetreffende planvoorschriften zijn slechts beperkingen aan de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde gesteld. Verweerder stelt dat deze planvoorschriften in strijd met de beleidslijn niet in de weg staan aan ongelimiteerde bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.3.    Ingevolge artikel 13, vijfde lid, onder b, van de planvoorschriften behoren bedrijfsbouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming tot de bouwwerken die op de gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, achtste lid, aanhef, onder a en onder b, dienen bij de bouw van de in lid 5, onder b, bedoelde bedrijfsbouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

a. de hoogte van silo's, uitsluitend te bouwen op gronden op de kaart nader aangeduid met "s = silo's": 22 m;

b. de hoogte van (maximaal) één schoorsteen, uitsluitend op gronden op de kaart aangeduid met  "ss = schoorsteen": 40 m.

2.6.4.    Voor het beleid in de beleidslijn en hetgeen verweerder daarover ter zitting voorzover hier van belang heeft gesteld wordt verwezen naar overweging 2.3.4. respectievelijk 2.4.6.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.5.    Artikel 13, vijfde lid, onder b, van de planvoorschriften maakt ongelimiteerd nieuwe ingrepen op de gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" in het winterbed van de Lek mogelijk zonder toets aan het in de beleidslijn geformuleerde beleid.

Verweerder heeft dit planvoorschrift terecht in strijd met het in de beleidslijn neergelegde beleid geacht.

In hetgeen [appellante sub 2C], [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] tegen artikel 13, vijfde lid, onder b, van de planvoorschriften hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij neemt de Afdeling ten aanzien van de door [appellante sub 2E] in dit verband gestelde beperkingen voor de door haar voorgenomen bedrijfsvoering in aanmerking hetgeen is overwogen in overweging 2.5.6.

Uit de aanhef van artikel 13, achtste lid, van de planvoorschriften blijkt dat dit planonderdeel slechts betekenis heeft in samenhang met artikel 13, vijfde lid, van de planvoorschriften.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellante sub 2C] en [appellante sub 2D] tegen artikel 13, achtste lid, onder a en b van de planvoorschriften geen doel kan treffen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 13, vijfde lid, onder b, en artikel 13, achtste lid, onder a en b, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

waterstaatkundige werken, geen gebouwen zijnde (artikel 9, derde lid, onder a, van de planvoorschriften) en verschuiving bestemmings- en bouwgrenzen (artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften)

Standpunt appellanten

2.7.    [appellante sub 2E] heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 9, derde lid, onder a, en artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften.

Zij stelt dat de onthouding van goedkeuring aan deze bepalingen meebrengt dat de bouw van kademuren op de gronden met de bestemming "Haven" niet mogelijk is. Tevens voert zij aan dat door deze onthouding van goedkeuring verschuivingen van de bouwgrenzen op de gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" niet mogelijk zijn.

Het bestreden besluit

2.7.1.    Verweerder heeft deze planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Verweerder stelt dat artikel 9, derde lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd met de beleidslijn niet in de weg staat aan ongelimiteerde bouw van waterstaatkundige werken geen gebouwen zijnde. Over artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften stelt hij dat dit planvoorschrift tot aanzienlijke wijzigingen ter plaatse zonder toets aan de beleidslijn kan leiden.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    Ingevolge artikel 9, derde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Haven" uitsluitend worden gebouwd: waterstaatkundige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder begrepen kademuren en aanlegsteigers.

Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders de plankaart wijzigen ten aanzien van het hele plangebied, voor een verschuiving van de bestemmingsgrenzen en de bouwgrenzen, indien en voorzover:

a. de verschuiving noodzakelijk is voor een goede realisatie van het plan, voor een aanpassing aan de nader ingemeten situatie, of als gevolg van afwijkingen of onnauwkeurigheden in de kaart;

b. de structurele opzet van het plan niet wordt aangetast;

c. de totale verdeling van de aangegeven bestemmingen met niet meer dan 10% wordt gewijzigd;

d. de verschuiving niet meer bedraagt dan 20 m.

2.7.4.    Voor het beleid in de beleidslijn en hetgeen verweerder daarover ter zitting voorzover hier van belang heeft gesteld wordt verwezen naar overweging 2.3.4. respectievelijk 2.4.6.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.5.    Zowel artikel 9, derde lid, onder a, als artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften maakt nieuwe ingrepen mogelijk op de gronden met de bestemming "Haven" respectievelijk "Riviergebonden bedrijfsterrein" in het winterbed van de Lek zonder toets aan het in de beleidslijn geformuleerde beleid.

Verweerder heeft deze planvoorschriften terecht in strijd met het in de beleidslijn neergelegde beleid geacht.

In hetgeen [appellante sub 2E] tegen deze planvoorschriften heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden.

Daarbij neemt de Afdeling ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2E] voorzover gericht tegen artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften in aanmerking hetgeen is overwogen in overweging 2.5.6.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 9, derde lid, onder a, en artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie beroepen tegen onthouding van goedkeuring aan onderdelen van de artikelen 9, 13 en 32 van de planvoorschriften

2.8.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hiervoor besproken onderdelen van de artikelen 9, 13 en 32 van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante sub 4] en [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] tegen de onthouding van goedkeuring aan de desbetreffende onderdelen van de artikelen 9, 13 en 32 van de planvoorschriften hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan in zoverre.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub $] geheel, en het beroep van [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], Skinspark Nederland C.V., [appellante sub 2D] en [appellante sub 2E] in zoverre ongegrond.

Beroep tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woonbebouwing" (betreffende de woning aan de Marsdijk 1)

Standpunt appellanten

2.9.    [appellante sub 2A] hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woonbebouwing" dat betrekking heeft op de gronden waarop hun woning aan de [locatie 1] staat. Zij stellen dat de woning al 22 jaar als burgerwoning in gebruik is. Verder stellen zij dat uit het besluit op dit punt niet voldoende blijkt waarom verweerder aan de woonbestemming goedkeuring heeft onthouden.

Het bestreden besluit

2.9.1.    Verweerder heeft dit plandeel in strijd met het recht en een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft daarbij gewezen op en vastgehouden aan zijn besluit van 14 oktober 1996 tot onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woonbebouwing B1" dat in het vorige bestemmingsplan "De Tollewaard" voor deze woning was opgenomen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat deze bestemming in strijd is met het provinciaal beleid, dat is gericht op het zo veel mogelijk vrijwaren van het buitengebied van burgerwoningen. Daarnaast stelt verweerder dat ter plaatse geen goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd en dat de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning moet worden getoetst aan de beleidslijn.

Vaststelling van de feiten

2.9.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.3.     De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 april 1999, no. E01.96.0567 (aangehecht) de rechtsgevolgen van het besluit van verweerder van 14 oktober 1996 voorzover hier van belang in stand gelaten. De Afdeling onderschreef het standpunt van verweerder dat de gemeente ten onrechte geen onderzoek had verricht naar het woon- en leefmilieu ter plaatse, aangezien de woning aan de [locatie 1] in de directe nabijheid van bedrijfsbebouwing ligt.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.4.    Vast staat dat bij de totstandkoming van dit plan geen onderzoek naar het woon- en leefklimaat ter plaatse is verricht.

Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die het achterwege blijven van dit onderzoek kunnen rechtvaardigen. Dat het pand al 22 jaar in gebruik is als burgerwoning, vormt niet een zodanige omstandigheid.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plandeel met de bestemming "Woonbebouwing" met betrekking tot de gronden aan de [locatie 1] in strijd met artikel 30 van de WRO is vastgesteld. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan het plan op dit punt.

Het beroep van [appellante sub 2A] is ongegrond.

Beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met de aanduidingen "HVDv = Handel in en verwerking van diervoeders" en "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten"

Standpunt appellanten

2.10.    [appellante sub 2C] heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met deels de aanduiding "HVDv = Handel in en verwerking van diervoeders" en deels de aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten", voor haar perceel aan de Marsdijk 13. Zij voert aan dat op het gehele perceel handel in en verwerking van diervoeders (HVDv), handel in en verwerking van dierlijke producten (HVDP) en botenbouw, zoals opgenomen in het voorheen geldende plan, moet worden toegestaan. De beperking van de gebruiksmogelijkheden in dit plan voorzover hier van belang betekent een beperking van de verkoopmogelijkheden en waardevermindering van het perceel, aldus appellante. Tenslotte voert [appellante sub 2C] aan dat voorzover aan de gronden van haar bedrijfsterrein uitsluitend de aanduiding "HVDP" is toegekend deze gronden niet overeenkomstig het bestaande gebruik zijn bestemd, aangezien de gronden worden gebruikt voor handel in en verwerking van diervoeders.

Het bestreden besluit

2.10.1.    Verweerder heeft dit deel van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stelt dat de voorheen op het perceel mogelijke bouw en onderhoud van plezierjachten een "nee, tenzij"-activiteit zoals bedoeld in de beleidslijn is. Verder stelt verweerder dat de in het plan voor het perceel opgenomen bestemming en aanduiding conform het huidige gebruik zijn, hetgeen in overeenstemming met de beleidslijn is.

Vaststelling van de feiten

2.10.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.3.    Het plan voorziet voor de in geding zijnde gronden van [appellante sub 2C] in de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met deels de aanduiding "HVDv = Handel in en verwerking van diervoeders" en deels de aanduiding "HVDP =Handel in en verwerking van dierlijke producten".

2.10.4.    Ter zitting heeft [appellante sub 2C] onweersproken gesteld dat op haar gronden uitsluitend handel in en verwerking van diervoeders plaatsvindt.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.5.    Over het onder het vorige plan mogelijke gebruik van de gronden voor handel in en verwerking van dierlijke producten en botenbouw overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Het door appellante genoemde voorkeursrecht maakt dit niet anders, aangezien het bestemmingsplan een zelfstandige betekenis heeft, zodat de hierin vastgelegde bestemmingen niet afhankelijk kunnen worden gesteld van buiten het plan staande overeenkomsten.

Voorts, zoals ook overwogen in overweging 2.3.7., rechtvaardigen de belangen van de beleidslijn een beperking van het gebruik van de gronden van [appellante sub 2C], aangezien deze gronden in het winterbed van de Lek liggen.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van deze bedrijfspercelen betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Tenslotte komt blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting de bestemming op het deel van de gronden van [appellante sub 2C] waaraan de aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten" is toegekend niet overeen met het huidige gebruik van handel in en verwerking van diervoeders ter plaatse. Ter zitting heeft verweerder dit desgevraagd niet weersproken.

Gelet hierop is het bestreden besluit met betrekking tot de gronden van [appellante sub 2C] met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" en de aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten" genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellante sub 2C] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover goedkeuring is verleend aan de gronden van [appellante sub 2C] met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" en de aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Behoudens het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" en de aanduidingen "HVDv = Handel in en verwerking van diervoeders" en "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante sub 2C] in zoverre tegen de goedkeuring van dit plandeel heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan in zoverre.

Het beroep van [appellante sub 2C] tegen de goedkeuring van het plan is voor het overige ongegrond.

Beroep tegen onthouding van goedkeuring aan artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften (baggerstort)

Standpunt appellanten

2.11.    Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften op grond waarvan op gronden met de bestemming "Natuurlijk uiterwaardgebied" een aanlegvergunning is vereist voor onder meer het storten van baggerspecie. Zij stellen dat de motivering van verweerder aangaande de strijdigheid met de doeleindenomschrijving niet duidelijk is. Verder stellen zij dat na een MER-onderzoek in het begin van de jaren negentig de Ingensche Waard binnen de provincie als vierde kansrijke bergingslocatie geldt. In dit verband menen zij voorts dat het MER-besluit voor baggerstortactiviteiten niet op de vaststelling van een bestemmingsplan van toepassing is, zodat geen MER voorafgaand aan dit plan hoeft te worden gemaakt. Daarnaast stellen appellanten over de grootte van het baggerstortgebied dat verweerder in strijd met de rechtszekerheid niet heeft aangegeven in welk gebied (Ingensche Waard) de baggerstortactiviteiten dan wel mogen plaatsvinden. Tenslotte stellen zij dat de voorwaarde van een toets aan de beleidslijn niet al in de planvoorschriften hoeft te worden opgenomen, bij de vergunningverlening kan deze toets door het college van burgemeester en wethouders worden verricht.

Het bestreden besluit

2.11.1.    Verweerder heeft artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd met het recht en in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder zijn de hierin mogelijk gemaakte werkzaamheden in strijd met de doeleindenomschrijving. Verder stelt verweerder dat de Ingensche Waard in het provinciale beleid als een van de mogelijke bergingslocaties voor baggerspecie is opgenomen. Het MER-onderzoek over het baggerdepot in de Ingensche Waard is nog niet afgerond. Na afronding van het MER kan worden bezien of het baggerspeciedepot middels een planherziening kan worden geregeld, aldus verweerder. Daarnaast stelt hij dat de planvoorschriften baggerstort mogelijk maken in een groter gebied dan de Ingensche Waard. Tenslotte voorzien de aan de orde zijnde planvoorschriften niet in een toets aan de beleidslijn, terwijl de werkzaamheden die mogelijk zijn door het verlenen van een aanlegvergunning zouden kunnen leiden tot waterstandsverhoging of belemmering voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.11.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.3.    Ingevolge artikel 14 van de WRO voorzover hier van belang kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders, voor zover zulks noodzakelijk is:

a.    om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

b.    ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

2.11.4.    In de doeleindenomschrijving van artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de plankaart voor "Natuurlijk uiterwaardgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    instandhouding dan wel herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en de landschappelijke waarden die eigen zijn aan een natuurlijk uiterwaardgebied;

b.    grondgebonden agrarische productie;

c.    watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

d.    extensief dagrecreatief medegebruik,

met dien verstande dat de gronden tevens zijn bestemd voor de op de plankaart eveneens aangegeven dubbelbestemmingen.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden binnen de bestemming "Natuurlijk uiterwaardgebied" de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (Aanlegvergunning):

a.     werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van baggerspecie, grond, puin of afvalmaterialen, voorzover deze van elders zijn aangevoerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.5.    Uit artikel 14 van de WRO volgt dat een vereiste van aanlegvergunning niet mag worden gesteld voor werken of werkzaamheden die in strijd zijn met de bij het bestemmingsplan gegeven bestemming.

Artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften maakt het opslaan van baggerspecie met een aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders mogelijk. Gelet op de doeleindenomschrijving van artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is dit gebruik op de gronden met de bestemming "Natuurlijk uiterwaardgebied" in strijd met deze bestemming. Daarbij wijst de Afdeling op het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang waarin voor de gronden van het plangebied een gebruiksverbod is opgenomen terzake van het gebruik voor een doel of op een wijze strijdig met de in dit plan aan de gronden toegekende bestemming.

Gelet op het vorenstaande is artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd met artikel 14 van de WRO. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften. De overige beroepsgronden van Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. behoeven geen behandeling meer.

Gelet op het voorgaande is het beroep van Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. ongegrond.

Beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" met de aanduiding "AT = Aannemers- en transportbedrijf"

Standpunt appellanten

2.12.    [appellanten sub 1] stellen dat verweerder ten onrechte het plandeel met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" en de aanduiding "AT = aannemers- en transportbedrijf", het daarop betrekking hebbende planonderdeel artikel 13, onder a, en de "staat van oppervlakten" voorzover daarbij de oppervlakte van 1700 m² van gebouw "m" aan de [locatie 2] is vastgelegd, heeft goedgekeurd. Zij menen dat verweerder de loods van 1700 m² niet heeft kunnen aanmerken als bestaande bebouwing. Daarnaast stellen zij dat met betrekking tot de percelen van [appellante sub 2B] de beleidslijn onjuist is toegepast. Tenslotte menen Akkerman en anderen dat onvoldoende is onderzocht of de bedrijfsactiviteiten op het bedrijfsterrein De Tollewaard significante effecten hebben op het naastgelegen gebied "Neder-Rijn", dat op grond van de Vogelrichtlijn is aangewezen als speciale beschermingszone. Zij stellen dat geen passende beoordeling in de zin van de Vogelrichtlijn is gemaakt.

Het bestreden besluit

2.12.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan voorzover hier van belang in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Met de gemeenteraad heeft hij zich op het standpunt gesteld dat ter plaatse een loods met een oppervlakte van 1700 m² aanvaardbaar is ter vervanging van een wegens calamiteiten vergane loods van 1300 m² en een afgebroken gebouw van 420 m² op een naastgelegen perceel. Voorts meent hij dat het plan met betrekking tot de gronden van [appellante sub 2B] gelet op de door het ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgevoerde beleidslijntoets in overeenstemming is met de beleidslijn. Tenslotte stelt verweerder dat het plan geen significante effecten zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn met zich brengt.

Vaststelling van de feiten

2.12.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.3.    Ingevolge artikel 1, zesde lid, onder a, en aanhef van de planvoorschriften wordt in het plan onder bestaand verstaan:

bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig de Woningwet of krachtens die wet gegeven voorschriften.

Ingevolge artikel 13, onder a, van de planvoorschriften voorzover hier van belang zijn de op de plankaart voor "Riviergebonden bedrijfsterrein" aangewezen gronden bestemd voor bestaande bedrijvigheden zoals deze voor de desbetreffende gronden nader zijn aangeduid op de plankaart;

"AT = Aannemers- en transportbedrijf": bestemd voor de opslag van bouwmaterialen en bouwmaterieel van een aannemersbedrijf, de vervaardiging van omvangrijke beton- en staalconstructies en de opslag, overslag en het sorteren van bouw- en sloopafval en voor het bijbehorend vervoer over de weg en over water.

Ingevolge artikel 13, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften dienen bij de bouw van de in het vijfde lid bedoelde bouwwerken, voorzover het betreft gebouwen, de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

a. het bebouwd oppervlak van ieder afzonderlijk gebouw mag niet meer bedragen dan 110% van de bebouwde oppervlakte van het betreffende gebouw volgens de "staat van oppervlakten" bij deze voorschriften en regelen.

In de bij dit plan horende "staat van oppervlakten" is voor Marsdijk 9 voorzover hier van belang opgenomen:

   - oppervlakte gebouw m, na amovering n: 1700 m² incl. oppervlak     te slopen gebouw n, bouwvergunning verleend

2.12.4.    Het vorige bestemmingsplan "De Tollewaard" voorzag voor de gronden van [appellante sub 2B] in de bestemming "Uiterwaardenbedrijfsterrein I" met de aanduiding "AT = Aannemers- en Transportbedrijf" en maakte op deze gronden de bouw van een gebouw met een oppervlakte van 1300 m² mogelijk.

Daarnaast heeft [appellante sub 2B] het naastgelegen perceel aangekocht waarop [Steenhandel] was gevestigd. In het voorheen geldende plan had dit perceel de bestemming "Uiterwaardenbedrijfsterrein I" met de aanduiding "Sgh = steengroothandel". Op verzoek van [appellante sub 2B] heeft de gemeenteraad bij het voorliggende plan dit perceel dezelfde bestemming als de overige gronden van [appellante sub 2B] toegekend. Een op dit perceel staand gebouw met een oppervlakte van 420 m² is geamoveerd.

Voorts heeft [appellante sub 2B] voor de bouw van de loods met een oppervlakte van 1700 m² op de gronden waarvoor het vorige plan al een aannemers- en transportbedrijf toestond twee bouwvergunningen gekregen. Deze zijn door het college van burgemeester en wethouders verleend op 10 januari 2003 voor een loods met een oppervlakte van 1300 m² en op 17 juni 2003 voor een uitbreiding van de loods met een oppervlakte van 400 m². Voor deze laatste vergunningverlening heeft verweerder op 3 juni 2003 een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

De loods is al gebouwd.

2.12.5.    Voor het beleid in de beleidslijn wordt naar overweging 2.3.4. verwezen.

2.12.6.    De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft voor onder meer de bouw van de loods van 1700 m² ter plaatse op 15 april 2003 een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken verleend. De bezwaren van [appellanten sub 1] hiertegen heeft hij bij zijn beslissing op bezwaar van 14 november 2003 ongegrond verklaard.

2.12.7.    Bij besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/339, is het gebied bekend onder de naam Neder-Rijn aangewezen als speciale beschermingszone (verder: SBZ) in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: Vogelrichtlijn).

Bij besluit van 25 april 2003, kenmerk DN. 2002/1466, is voorgaand besluit gewijzigd, omdat daarbij wezenlijke delen van de leefgebieden van diverse vogelsoorten niet in de aanwijzing waren opgenomen.

2.12.8.    Uit de toelichting op het aanwijzingsbesluit blijkt dat het gebied Neder-Rijn als SBZ kwalificeert onder meer vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van de Kleine Zwaan en Kolgans die het gebied benutten als overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kwalificeert tevens omdat het behoort tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden voor de Kwartelkoning in Nederland.

2.12.9.    Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (verder: de Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, eerste volzin, van de Vogelrichtlijn voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voorzover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.

Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02 (AB 2004, 365) geoordeeld dat de eerste volzin van het derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied.

2.12.10.    Het bedrijfsperceel van [appellante sub 2B] wordt omsloten door het op grond van de Vogelrichtlijn als SBZ aangewezen gebied "Neder-Rijn".

2.12.11.    Volgens het onderzoek van Bureau Waardenburg B.V. "Beoordeling van mogelijke effecten van voorgenomen bedrijfsactiviteiten in de Tollewaard door [appellante sub 2B] op het Vogelrichtlijngebied Neder-Rijn" van 14 september 2001 zullen de voorgenomen bedrijfsactiviteiten geen effect van enige omvang hebben op vogels die in de uiterwaarden broeden, voedsel zoeken of slapen. De Tollewaard herbergt volgens dit onderzoek een gering deel van de aantallen vogels in de SBZ Neder-Rijn. Voorts blijkt uit het onderzoek dat hooguit een enkele Kievit en/of Grutto binnen de zogenoemde verstoringafstand (enkele honderden meters) van het desbetreffende bedrijfsterrein broedt. De desbetreffende bedrijfsactiviteiten zouden tot het verdwijnen van een enkel paar van deze soorten kunnen leiden.

2.12.12.     Het deskundigenbericht onderschrijft de conclusie van het onderzoek van Bureau Waardenburg B.V. dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse geen significante gevolgen op de ornithologische waarden in de SBZ Neder-Rijn teweegbrengen.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.13.    De in het plan opgenomen bouwmogelijkheid van 1700 m² betekent ten opzichte van het voorheen geldende plan een toeneming van de bebouwing voor het aannemersbedrijf op het desbetreffende perceel van

400 m². Ter compensatie is een gebouw op het naastgelegen perceel met een oppervlakte van 420 m² geamoveerd. Het voorliggende plan voorziet niet in bouwmogelijkheden voor gebouwen op dit naastgelegen perceel.

[appellanten sub 1] stellen terecht dat een van de uitgangspunten van het plan is het bestemmen van bestaande bebouwing. In dit geval hebben de gemeenteraad en verweerder ingestemd met een verschuiving van bouwmogelijkheden waardoor een totaal te bebouwen oppervlakte van

1700 m² is toegestaan.

Gezien de in het voorheen geldende plan opgenomen bouwmogelijkheid voor het [appellante sub 2B], de sloop van het gebouw op het perceel van de voormalige steengroothandel en de verleende bouwvergunningen, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid een zwaar gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van [appellante sub 2B] bij de bouw van één bedrijfsgebouw van 1700 m².

Verweerder heeft zich uit ruimtelijk oogpunt in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene aannemers- en transportactiviteiten op de percelen van [appellante sub 2B] in zoverre passend zijn.

Daarbij merkt de Afdeling over de definitie van "bestaand" in artikel 1, zesde lid, onder a, van de planvoorschriften op dat deze alleen van betekenis is voor het overgangsrecht van het plan.

2.12.14.    Tevens volgt uit het voorgaande dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de in het plan voorziene aannemers- en transportactiviteiten op de desbetreffende percelen in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de beleidslijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking de vergunningverlening voor de loods van 1700 m² ter plaatse op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat waarbij ook de belangen van de beleidslijn zijn betrokken.

2.12.15.    Niet in geschil is dat de in het plan mogelijk gemaakte aannemers- en transportactiviteiten een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn zijn. De activiteiten kunnen niet worden aangemerkt als een plan of project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de SBZ. Derhalve moet worden nagegaan of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat deze activiteiten geen significante gevolgen hebben voor de SBZ.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond om de conclusie van het onderzoek van Bureau Waardenburg B.V. dat de bedrijfsactiviteiten op de gronden van [appellante sub 2B] geen significante effecten hebben op de ornithologische waarden van het gebied Neder-Rijn in twijfel te trekken.

2.12.16.    Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ, significante gevolgen heeft voor het gebied. Er behoefde daarom geen passende beoordeling te worden gemaakt als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, zodat het bestreden besluit niet in strijd is met deze bepaling.

2.12.17.    Tenslotte hebben [appellanten sub 1] zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen en de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen.

[appellanten sub 1] hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.

Het beroep van [appellanten sub 1] wat betreft deze overige argumenten treft geen doel.

2.12.18.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" en de aanduiding "AT = aannemers- en transportbedrijf", het daarop betrekking hebbende planonderdeel artikel 13, onder a, en de "staat van oppervlakten" voorzover daarbij de oppervlakte van 1700 m² van gebouw "m" aan de [locatie 2] is vastgelegd niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

2.13.    Verweerder dient ten aanzien van het beroep van appellanten sub 2 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige beroepen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken geheel en het beroep van appellanten sub 2 voorzover ingediend namens Skinspark Nederland C.V. wat betreft de goedkeuring van de in het plan voor haar gronden opgenomen aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten" niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 6 januari 2004, kenmerk RE2003.56847, voorzover goedkeuring is verleend aan de gronden van [appellante sub 2C] met de bestemming "Riviergebonden bedrijfsterrein" en de aanduiding "HVDP = Handel in en verwerking van dierlijke producten", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

IV.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. en [appellante sub 4] geheel en het beroep van appellanten sub 2 voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Verbeek

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

388-447.