Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200408004/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van D&F Engineering, gevestigd op het perceel Horsterweg 153 te Ermelo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408004/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 augustus 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Ermelo

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van D&F Engineering, gevestigd op het perceel Horsterweg 153 te Ermelo.

Bij besluit van 14 augustus 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2004, verzonden op 17 augustus 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 27 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 januari 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van de gemeente Ermelo, is verschenen. Voorts is [wederpartij], bijgestaan door mr. J.H. Tuit, advocaat te Almere, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij besluit van 12 september 2001 ten behoeve van de vestiging van D&F Engineering op het perceel een inmiddels rechtens onaantastbare vrijstelling is verleend,  zodat niet handhavend kan worden opgetreden tegen de bedrijfsactiviteiten.

2.1.1.    Bij brief van 12 september 2001 heeft het college aan D&F Engineering als volgt bericht: "De huidige bestemming staat het vestigen van het bedrijf niet toe, maar artikel 7.5a van het bestemmingsplan "'s Heerenloo" biedt de mogelijkheid om binnenplanse vrijstelling te verlenen indien het bedrijf valt binnen categorie 1 t/m 3 van de Staat van Inrichtingen. Wij zijn van mening dat de lijst zo geïnterpreteerd kan worden dat D&F Engineering binnen deze categorieën valt, waardoor wij de mogelijkheid hebben om binnenplanse vrijstelling te verlenen.".

2.1.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de brief van 12 september 2001 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De inhoud daarvan is niet op rechtsgevolg gericht. De brief bevat slechts informatie over de wijze waarop de strijdigheid van de aanwezigheid van het bedrijf met het bestemmingsplan kan worden opgeheven.    

2.2.    Het college betoogt eveneens tevergeefs dat de brief moet worden aangemerkt als een bekendmaking van het collegebesluit van 11 september 2001, waarbij op een verzoek om vrijstelling is beslist. In de aan de aanvrager gerichte brief van 12 september 2001 wordt niet verwezen naar dat besluit en dat besluit is blijkens een ter zitting afgelegde verklaring van het college ook niet bij de brief gevoegd.

2.2.1.    Niet is gebleken dat het collegebesluit van 11 september 2001 op enig later moment overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht aan de aanvrager is bekendgemaakt, zodat het besluit ingevolge artikel 3:40 van het de Algemene wet bestuursrecht niet in werking is getreden. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het college betoogt derhalve tevergeefs dat sprake is van een rechtens onaantastbare vrijstelling.

2.3.    De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat het bezwaarschrift tegen de weigering handhavend op te treden moet worden aangemerkt als een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 11 september 2001.

   Het bezwaar is blijkens de bewoordingen van het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 28 maart 2003, waarbij is geweigerd handhavend op te treden. Hetgeen [wederpartij] in dit bezwaarschrift over de vrijstelling heeft betoogd moet zo worden gelezen dat ten behoeve van het bedrijf geen vrijstelling is verleend, zodat daartegen handhavend moet worden opgetreden. Het college dient op dit bezwaar te beslissen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Tulmans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

17-381.