Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200407940/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) appellant gelast, onder oplegging van een dwangsom, de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407940/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 19 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) appellant gelast, onder oplegging van een dwangsom, de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 23 december 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2004, verzonden op 25 augustus 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.M.A. van der Burgt, ambtenaar van de gemeente zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is en vast staat dat het in geding zijnde gebruik ingevolge het geldende bestemmingsplan is verboden, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Appellant betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid handhavend op te treden gebruik kon maken. De voorzieningenrechter heeft met juistheid en uitvoerig gemotiveerd dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht op legalisatie bestond.

   Voorts heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel uitvoerig gemotiveerd verworpen. De Afdeling ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding ter zake anders te oordelen. Niet aannemelijk is geworden dat van de zijde van het college rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt dat tegen het in geding zijnde gebruik van het perceel niet zou worden opgetreden. Evenmin is aannemelijk geworden dat aan appellant door de voormalige burgemeester van Oploo toezeggingen zijn gedaan waaraan het college gebonden zou zijn.

   Ook het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot het oordeel dat van handhavend optredend dient te worden afgezien. De bedrijven waarop appellant doelt zijn als zodanig bestemd. Er is derhalve geen sprake van soortgelijke gevallen waarin ten onrechte niet wordt opgetreden.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Tulmans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

17-381.