Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200409141/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2004, kenmerk 13257, heeft verweerder geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "APR Holding B.V." een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer voor een wijziging van haar inrichting aan de Huizersdijk 3 te Zevenbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409141/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "APR Holding B.V." en "APR Elektronika Productie B.V.", gevestigd te Zevenbergen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2004, kenmerk 13257, heeft verweerder geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "APR Holding B.V." een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer voor een wijziging van haar inrichting aan de Huizersdijk 3 te Zevenbergen.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 30 september 2004, kenmerk 13257, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. N.Th. ter Haar Romeny, advocaat te Breda, en C.J.M. Machielsen en J.I.M. Priester-Plag, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer, ambtenaar van de gemeente, en ing. R. Vliex, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

   a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

   b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

   c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.2.    Verweerder heeft het bezwaar tegen de weigering om een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer af te geven ongegrond verklaard, nu volgens hem uit het akoestisch rapport bij de melding blijkt dat de veranderingen waarop de melding betrekking heeft (volgens verweerder vrachtwagenbewegingen in de dag- en avondperiode en vervanging van twee ventilatoren), leiden tot een overschrijding van de vigerende piekgeluidgrenswaarden ter plaatse van de bestaande woning aan de Huizersdijk […]. Uit het verweerschrift blijkt dat dit standpunt aldus moet worden begrepen dat verweerder het met appellanten eens is dat het verplaatsen en vervangen van de ventilatoren niet leidt tot een overschrijding van de vergunde piekgeluidgrenswaarden, doch dat de naar zijn oordeel eveneens van de melding deel uitmakende vrachtwagenbewegingen in de avondperiode wel leiden tot een overschrijding van de voor die periode geldende piekgeluidgrenswaarde. Nu in de gemelde situatie de geluidvoorschriften van de oprichtingsvergunning van 27 oktober 1994 worden overtreden, ontstaan volgens verweerder grotere nadelige milieugevolgen dan vergund, zodat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.19, tweede lid, aanhef, van de Wet milieubeheer.

2.3.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte van oordeel is dat de melding tevens betrekking heeft op vrachtwagenbewegingen in de dag- en avondperiode.

2.3.1.    De bij brief van 4 december 2003 aan verweerder verzonden melding, waarop het bestreden besluit betrekking heeft, ziet blijkens de tekst van die melding enkel op de vervanging van twee raamventilatoren door industriële ventilatoren met een hogere afzuigcapaciteit en het gelijktijdig verplaatsen van één van die ventilatoren. Zoals ter zitting van de zijde van  appellanten is bevestigd, zijn de vrachtwagenbewegingen in de dag- en avondperiode in het bij de melding gevoegde akoestisch rapport van Wematech Milieu Adviseurs B.V. van 27 november 2003 enkel genoemd als één van de uitgangspunten bij het onderzoek naar de vraag of de vervanging van de ventilatoren en de verplaatsing van één daarvan zal leiden tot overschrijding van de op grond van de oprichtingsvergunning van 27 oktober 1994 geldende equivalente geluidgrenswaarden. Verweerder heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vrachtwagenbewegingen in de dag- en avondperiode deel uitmaken van de voorgenomen verandering. Het niet accepteren van de melding heeft verweerder dan ook ten onrechte gebaseerd op de grond dat de vrachtwagenbewegingen in de avondperiode zullen leiden tot een overschrijding van de gedurende die periode geldende piekgeluidgrenswaarde. Het besluit is in zoverre genomen in strijd met het stelsel van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, dat inhoudt dat moet worden beslist op de melding zoals die is ingediend.

2.4.    Het beroep van appellanten is gegrond. Het bestreden besluit op bezwaar dient te worden vernietigd.

2.5.    Verweerder dient op te na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het ongedateerde besluit, verzonden op 30 september 2004, kenmerk 13257, van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 622,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Moerdijk te worden betaald aan appellanten;

IV.    gelast dat de gemeente Moerdijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

288.