Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200408578/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Neede, thans Berkelland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2004, het bestemmingsplan "Peppelendijk, herziening ex artikel 30 WRO" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408578/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Neede, thans Berkelland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2004, het bestemmingsplan "Peppelendijk, herziening ex artikel 30 WRO" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 augustus 2004, kenmerk RE2004.22992, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij faxbericht van 21 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 november 2004.

Verweerder heeft bij brief van 24 januari 2005 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2005, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door ing. C.D.A.M. Nieuwenhuis, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

Appellante en verweerder zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO). Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellante

2.2.    [appellante], eigenares van de gronden in het plangebied, stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Volgens [appellante] dient de in het vorige bestemmingsplan voor deze gronden voorziene bestemming "Industriële bebouwing" gehandhaafd te blijven. Verder betoogt zij dat een ruimtelijke onderbouwing ontbreekt van de in het voorliggende plan voorziene bestemming "Groene ruimte met landschappelijke waarden" voor haar gronden. [appellante] in haar hoedanigheid van eigenares stelt voorts geen medewerking aan de verwezenlijking van deze bestemming te zullen verlenen.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft daarbij onder meer overwogen dat de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming in overeenstemming is met zowel de feitelijke situatie ter plaatse als de gemeentelijke ontwikkelingsvisie "Omgeving De Kamp".

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.    Bij haar uitspraak van 19 februari 2003 (200203040/1) heeft de Afdeling het besluit waarbij verweerder het bestemmingsplan "Peppelendijk" heeft goedgekeurd, gedeeltelijk vernietigd.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij zijn besluit van 17 juni 2003, kenmerk RE2003.19276, alsnog goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische structuur" van het bestemmingsplan "Peppelendijk". Daarbij heeft verweerder zich aangesloten bij de volgende overwegingen van de genoemde uitspraak:

   "Gelet op de ligging van het plangebied en de feitelijke situatie ter plaatse is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de keuze voor een bestemmingsregeling die aansluit bij de waarden van het ten zuiden van het plangebied gelegen buitengebied en die een groene bufferzone tussen het industrieterrein en de woonwijk mogelijk maakt. Hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders.

   (…)

   Wat betreft de toegekende bestemming "Agrarische structuur" overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften de gronden met deze bestemming in hoofdzaak bestemd zijn voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening. Gelet op de ligging van de gronden, de beperkte omvang daarvan en de vraag of het terrein toegankelijk is voor landbouwvoertuigen, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reële bestemmingsregeling. Zij neemt hierbij in aanmerking dat het plandeel met voornoemde bestemming een omvang van een kleine halve hectare heeft en slechts toegankelijk is over een ongeveer 160 meter lange en 4 meter brede strook grond waarover een pad loopt. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat is onderzocht of een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening ter plaatse mogelijk is.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische structuur" wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd."

Verweerder heeft in zijn besluit van 17 juni 2003 gesteld dat de gemeenteraad alsnog een bestemmingsplan kan vaststellen dat voorziet in een draagkrachtige motivering dan wel in een meer passende bestemming voor de desbetreffende gronden.

2.5.1.    Het voorliggende plan dient ter voldoening aan de plicht van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 30 van de WRO tot aanpassing van het plandeel in het bestemmingsplan "Peppelendijk" waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden.

2.5.2.    Het plan voorziet voor de gronden van het plangebied in de bestemming "Groene ruimte met landschappelijke waarden" en beoogt verstedelijking ter plaatse tegen te gaan en het bestaande groene karakter van het gebied, dat ligt tussen een woonwijk en een industrieterrein, te behouden en te versterken.

2.5.3.    Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Groene ruimte met landschappelijke waarden" bestemd voor:

a    groen en weide;

b    het behoud en bescherming van landschappelijke waarden in de vorm van hoogteligging en openheid;

c    extensief recreatief medegebruik;

d    waterlopen en -voorzieningen;

e     de bestaande half verharde wegen en paden,

met bijbehorende voorzieningen, uitsluitend in de vorm van straatmeubilair en duikers.

2.5.4.    De gemeenteraad stelt dat het gebruik van de gronden voor industriële doeleinden moet worden tegengegaan omdat dit geen recht doet aan de groene kwaliteiten van het gebied en uit ruimtelijk oogpunt geen goede overgang tussen het industrieterrein ten oosten van het plangebied en de woonwijk ten westen van het plangebied meebrengt.

2.5.5.    Bij de vaststelling van het plan heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Omgeving De Kamp" betrokken. Deze ontwikkelingsvisie is in opdracht van het gemeentebestuur door een stedenbouwkundig bureau opgesteld en in september 2000 door de gemeenteraad vastgesteld. Het betreft een inventarisatie van het landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle gebied waarin Huize De Kamp ligt en geeft aan hoe de recreatieve waarde van het gebied kan worden vergroot. In deze visie wordt een industriële bestemming van het plangebied, dat grenst aan de noordkant van het gebied waarin Huize De Kamp ligt, als een bedreiging gezien voor het behalen van deze doelstelling en wordt daartoe een andere functie voorgestaan die geen afbreuk doet aan het waardevolle cultuurlandschap.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Wat betreft de wens van [appellante] tot handhaving van de bestemming "Industriële bebouwing" van het vorige bestemmingsplan voor de gronden van het plangebied overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak van 15 oktober 2003 (200302335/1) en in haar uitspraak van 26 mei 2004 (200307062/1) over het betoog van [appellante] over reeds ten tijde van het voorbereidingsbesluit van het bestemmingsplan "Peppelendijk" bestaande bouwplannen ter plaatse.

2.6.1.    Blijkens de stukken, waaronder de ontwikkelingsvisie "Omgeving De Kamp", is met de bestemming "Groene ruimte met landschappelijke waarden" van de gronden van het plangebied aansluiting gezocht bij de feitelijke situatie ter plaatse en het zuidelijk van het plangebied gelegen landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle gebied waarin Huize De Kamp ligt.

Gelet hierop alsmede op de ligging van het plangebied tussen een woonwijk en een industrieterrein is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de keuze voor een bestemmingsregeling die aansluit bij de waarden van het ten zuiden van het plangebied gelegen buitengebied en die een groene bufferzone tussen het industrieterrein en de woonwijk mogelijk maakt.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verwezenlijking van deze bestemmingsregeling op de desbetreffende gronden niet mogelijk is.

2.6.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

12-447.