Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200501020/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Assen het wijzigingsplan "Bestemmingsplan schoollocatie Prinses Beatrixstraat ex artikel 11 WRO" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501020/2.

Datum uitspraak: 14 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid "Vereniging Centrum Zuid", gevestigd te Assen,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Assen het wijzigingsplan "Bestemmingsplan schoollocatie Prinses Beatrixstraat ex artikel 11 WRO" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van  december 2004, kenmerk RW/A11/2004010118, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid "Vereniging Centrum Zuid" (hierna: de Vereniging) bij brief van 1 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2005, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door A.J. Poelman en J. Beekhuis, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door B.K. Hendriks, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Assen, vertegenwoordigd door mr. J. Wortman, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan voorziet in de bouw van 14 woningen aan de Prinses Beatrixstraat.

2.3.    De Vereniging stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan, omdat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen voor de waterhuishouding. Voorts betwijfelt zij of de ondertekenaar van het bestreden besluit daartoe bevoegd was. Zij verzoekt om schorsing van het bestreden besluit om te voorkomen dat met de uitvoering van het plan kan worden begonnen.

2.4.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of de wijzigingsbepalingen geacht en heeft het goedgekeurd. Volgens hem is het plan in het kader van de watertoets aan het waterschap voorgelegd en heeft deze positief geadviseerd.

2.5.    In het Besluit mandaat, volmacht en machtiging gedeputeerde staten 2004 (hierna: het Besluit) heeft verweerder regels gesteld omtrent de verlening van mandaat met betrekking tot specifieke bestuurs- en beheersbevoegdheden van gedeputeerde staten aan de directie. Het Besluit voorziet onder meer in een regeling voor ondermandaat. De vraag naar de bevoegdheid van de ondertekenaar van het bestreden besluit, interim-hoofd van de Productgroep Ruimte en Water, spitst zich blijkens het verhandelde ter zitting toe op de vraag of de ondertekenaar van het bestreden besluit daadwerkelijk de functie had van interim-hoofd. De Voorzitter acht dat niet onaannemelijk en verwacht niet dat in de bodemprocedure zal blijken dat aan het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft.

2.6.    De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een waterparagraaf waarin onder meer wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en de wijze waarop het hemelwater zal worden afgevoerd. Volgens een brief van het waterschap zijn de uitgangspunten met betrekking tot de waterhuishouding in het kader van het proces van de watertoets uitgewerkt en in de waterparagraaf weergegeven. Uit de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij het college van burgemeester en wethouders bekend is dat het plangebied uit het oogpunt van de waterhuishouding een aandachtsgebied is.

   Weliswaar maakt de plantoelichting geen onderdeel uit van het plan en komt daaraan geen bindende betekenis toe, maar ter zitting is aannemelijk gemaakt dat de waterhuishouding en in het bijzonder de afwatering een belangrijk onderdeel vormen van de bouwvergunning voor de nieuw te bouwen woningen. In dat kader wordt door de projectontwikkelaar een waterplan opgesteld met concrete maatregelen, dat ter beoordeling aan het waterschap zal worden voorgelegd.

   Uit het vorenstaande volgt dat mogelijke problemen ten aanzien van de waterhuishouding door het college van burgemeester en wethouders worden onderkend en bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken. De Voorzitter acht het aannemelijk dat waterhuishoudkundige problemen in het kader van de uitvoering kunnen worden voorkomen. Hij verwacht niet dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gemeente en waterschap bij de vaststelling van het plan voldoende inhoud hebben gegeven aan de waterhuishoudkundige aspecten. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakoviæ, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bošnjakoviæ

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005

410.