Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200406420/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2002 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van appellante om subsidie voor het project "Noord-Sloterdijklijn Amsterdam" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406420/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging Rijdend Nederland", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2002 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van appellante om subsidie voor het project "Noord-Sloterdijklijn Amsterdam" afgewezen.

Bij besluit van 19 maart 2003 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 september 2004 heeft de minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter], en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kerssemakers, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft - zelf voorziend - het bezwaarschrift van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante bij het indienen ervan de daarvoor in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn heeft overschreden. De rechtbank gaat ervan uit dat het bezwaarschrift op 14 januari 2003 bij de minister is binnengekomen.

2.2.    Niet wordt betwist dat het besluit van 28 november 2002 diezelfde datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is aangevangen op 29 november 2002 en geëindigd op 9 januari 2003.

2.3.    Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

   Uitgangspunt bij het vaststellen van de datum van terpostbezorging is het door PTT Post aangebrachte datumstempel. Ter zitting is gebleken dat het datumstempel op de envelop dateert van 16 december 2002, zodat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd. Niet is in geschil dat het stuk in ieder geval binnen één week na afloop van de termijn door de minister is ontvangen. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingediend.

   Gelet op het hiervoor overwogene kan de uitspraak van de rechtbank geen standhouden.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Een redelijke uitleg van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2004 met reg. nr. AWB 03/1620 BELEI;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€409,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

47-465.