Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200405867/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van drie zeecontainers ten behoeve van zand- en wateropslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405867/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 1 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van drie zeecontainers ten behoeve van zand- en wateropslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij brief van 15 april 2003 heeft appellant bij de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het door hem tegen het besluit van 4 oktober 2002 gemaakte bezwaar.

Bij besluit van 30 juli 2003 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2004, verzonden op 3 juni 2004, heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 30 juli 2003 ongegrond verklaard. Deze  uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.A. de Boer, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. Piessens-Verbiest, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het tegen het besluit van 30 juli 2003 ingestelde beroep.

2.2.    Appellant verbouwt op het perceel in glasopstanden afwisselend radijs en ijssla. Daarnaast teelt hij op ongeveer 30 ha open grond was- en bospeen. Hij is met deze teelt voor het grootste deel uitgeweken naar gehuurde gronden in Egmond en Julianadorp, beide in de kop van Noord-Holland, naar hij zelf aangeeft in verband met de kwaliteit van de gronden aldaar en de vruchtwisselingseisen van was- en bospeen. Naar appellant ter zitting heeft verklaard, valt de teelt van was- en bospeen op het perceel bij de teelt in Noord-Holland in het niet. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van drie zeecontainers ten behoeve van een zand- en wateropslag, die deel zal uitmaken van een spoelinstallatie. Deze installatie zal hoofdzakelijk worden gebruikt voor het wassen van de in Egmond en Julianadorp geteelde was- en bospeen.  

2.3.    Het geschil is toegespitst op de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Buitengebied 1980".

2.4.    Ingevolge dit plan rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse D (AD)".

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, lid s, onder 1,3 en 4 met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, agrarische bedrijfswoningen, andere bouwwerken, waterlopen en open terreinen, met dien verstande dat:

<…>

d. uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken welke rechtstreeks ten dienste staan van een agrarisch bedrijf als bedoeld in lid 1 aanhef mogen worden gebouwd en indien deze noodzakelijk zijn gezien de aard, continuïteit omvang en wijze van bedrijfsvoering van het betrokken bedrijf, waarbij bij een bestaand agrarisch bedrijf het agrarische bedrijfsgebouw wordt gebouwd ter plaatse van het reeds aanwezige complex van agrarische bedrijfsgebouwen als onderdeel van het bedrijfscentrum;

<…>.

   Ingevolge artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften stellen burgemeester en wethouders, ter toetsing van een bouwplan aan de bepalingen van lid 1 onder a en d dat bouwplan om advies in handen van de agrarische deskundige.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, van de planvoorschriften wordt hierin onder agrarisch bedrijf verstaan:

een onderneming waarin met een economisch oogmerk gewassen en/of dieren worden geteeld al dan niet samenhangend met het winnen van producten welke van die gewassen of dieren worden afgeleid, nader te onderscheiden in:

1. landbouwbedrijf en bedrijf voor tuinbouw in open grond:

een onderneming waarin gewassen of dieren worden geteeld in of op open grond, waaronder begrepen bosbouw en fruitteelt;

2. bedrijf voor intensieve veelteelt:

een onderneming waarin slacht-, fok-, leg- of pelsdieren worden geteeld zonder of nagenoeg zonder weidegang;

3. bedrijf voor tuinbouw in kassen;

4. bedrijf voor tuinbouw in opstallen van geen licht doorlatend materiaal:

een onderneming waarin gewassen in opstallen van geen licht doorlatend materiaal worden geteeld, zoals een champignon- of witlofkwekerij.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder t, van de planvoorschriften wordt hierin onder agrarisch hulp- of nevenbedrijf verstaan:

een onderneming, die gericht is op niet-industriële productie of levering van goederen of diensten aan agrarische bedrijven of op niet-industriële bewerking of verwerking, opslag, vervoer of verhandeling van producten, die van agrarische bedrijven afkomstig zijn en die al dan niet in combinatie nader te onderscheiden is in:

<…>

4. agrarisch verwerkingsbedrijf:

een onderneming die gericht is op de verwerking van agrarische producten in niet-industriële omvang, waaronder nader begrepen bloemdrogerijen en koel- en preparatiebedrijven.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de planvoorschriften wordt onder bebouwingsstrook/vlak verstaan:

een door bebouwings- en/of bestemmingsgrenzen op de kaart aangegeven strook en/of vlak, waarbinnen ingevolge deze voorschriften bepaalde gebouwen mogen worden gebouwd;

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan:

een aaneengesloten stuk grond, op een deel waarvan krachtens het plan bebouwing is toegestaan;

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder u, van de planvoorschriften wordt onder bedrijfscentrum verstaan:

het complex van agrarische bedrijfsgebouwen en dergelijke, waarin of van waaruit het bedrijf geleid wordt en de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

2.5.    Het college heeft zijn oordeel dat het bouwplan niet in overeenstemming is met artikel 23, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften gebaseerd op het met het oog op artikel 23, vierde lid, van deze voorschriften bij Adviesbureau Clevin (hierna: Clevin) ingewonnen advies, en het daarin ingenomen standpunt dat het wassen van was- en bospeen, dat elders wordt geteeld, moet worden aangemerkt als een agrarische hulp- en nevenactiviteit. Appellant heeft in bezwaar een advies van WLTO Advies van 29 oktober 2002 overgelegd, waarin daarentegen wordt geconcludeerd dat de spoelinstallatie onderdeel uitmaakt van een agrarisch bedrijf. Het college heeft dit advies voorgelegd aan Clevin, maar deze heeft hierin geen aanleiding gezien zijn eerste advies te herzien.

2.6.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank in het feit dat in deze adviezen tot verschillende conclusies wordt gekomen geen aanleiding hoeven zien om op de voet van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Tussen partijen bestaat immers geen verschil van mening over de feiten waarvan bij de beoordeling van het geschil moet worden uitgegaan, maar uitsluitend over de uitleg van de planvoorschriften, die aan de bestuursrechter zelf is voorbehouden.

2.7.    De Afdeling stelt vast dat het spoelen van was- en bospeen op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als een agrarische activiteit in de zin van de planvoorschriften. Een redelijke uitleg van deze voorschriften, in hun onderlinge samenhang bezien, brengt met zich dat enige bewerking van agrarische producten, zoals het wassen en spoelen daarvan, als nevenactiviteit van een op het perceel uitgeoefend agrarisch bedrijf niettemin aanvaardbaar moet worden geacht. Gelet op de grote afstand tussen de gronden in de kop van Noord-Holland en het perceel, kunnen de agrarische activiteiten op eerstgenoemde locatie echter niet worden aangemerkt als behorende tot een op het perceel uitgeoefend agrarisch bedrijf. Daarbij is immers niet bepalend, dat de activiteiten in Noord-Holland wellicht wel in bedrijfsmatige zin behoren bij het bedrijf op het perceel, maar dat zij naar de planologische strekking van de voorschriften niet daarbij horen. Dit betekent dat het wassen en spoelen van de was- en bospeen afkomstig uit de kop van Noord-Holland op het perceel ook niet kan worden aangemerkt als een nevenactiviteit van een op het perceel gevestigd agrarisch bedrijf, maar als een zelfstandige, niet agrarische activiteit moet worden beschouwd. Gelet hierop, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de bouwvergunning terecht wegens strijd met artikel 23, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften heeft geweigerd. De stelling van appellant dat veel bollenbedrijven in de streek op dezelfde wijze werken kan niet tot een ander oordeel over de uitleg van de planvoorschriften leiden. Daarbij wordt ten overvloede nog opgemerkt dat appellant ook niet heeft aangegeven of in het geval van die bedrijven dezelfde planvoorschriften van toepassing zijn.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2004 dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2004, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Tulmans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

201.