Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200500673/1 en 200500673/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft de gemeenteraad van Waalre het bestemmingsplan "Pastoor van der Heijdenstraat noordzijde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500673/1 en 200500673/2.

Datum uitspraak: 14 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Waalre,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft de gemeenteraad van Waalre het bestemmingsplan "Pastoor van der Heijdenstraat noordzijde" vastgesteld.

Bij besluit van 30 november 2004, nr. 1001930, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 20 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2005, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2005, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. P.J.M. Aertsen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Waalre, vertegenwoordigd door ing. E.G.M. van den Boom, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Voorzitter kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3.    Het plan voorziet in de bouw van vier vrijstaande woningen aan de Pastoor van der Heijdenstraat in de bestaande woonwijk Ekenrooi.

2.4.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor de gronden aan de Pastoor van der Heijdenstraat […]. Hij voert aan dat de omvang van de in het plan mogelijk gemaakte woonbebouwing zal leiden tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege verlies van uitzicht en bezonning.

2.4.1.    Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend.

Hij heeft daartoe overwogen dat de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing ruimtelijk verantwoord is in een bestaande woonwijk. De door het plan veroorzaakte beperking van het uitzicht van appellant en de bezonning van zijn tuin, acht hij niet onaanvaardbaar.

2.4.2.    De woning van appellant aan de [locatie] ligt op een afstand van ongeveer 15 meter van de gronden aan de Pastoor van der Heijdenstraat […]. Het plan maakt op deze gronden de bouw van een woning mogelijk op een afstand van 5 meter tot de perceelsgrens, met een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale nokhoogte van 10 meter. Aangrenzend aan de gronden van appellant kan naast de woning een bijgebouw worden gebouwd met een maximale goothoogte van 3,30 meter en een maximale nokhoogte van 5,50 meter. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in het plan rekening is gehouden met de belangen van de bewoners aan de [locatie] door de goothoogte en de omvang van het bouwvlak op de gronden aan de Pastoor van der Heijdenstraat […] in vergelijking tot de andere bouwpercelen uit dit plan te beperken. Niet in geschil is dat de bouw van een woning ter plaatse voor appellant niettemin vermindering van uitzicht en bezonning van zijn tuin met zich zal brengen. Wat betreft het uitzicht van appellant is van belang dat de afstand van zijn woning tot aan een eventueel tot de perceelsgrens te bouwen bijgebouw ongeveer 15 meter en tot aan het hoogste deel van de te bouwen woning ongeveer 20 meter bedraagt.

Wat betreft de bezonning van de tuin van appellant is van belang dat het plan leidt tot een verlies van bezonning gedurende de ochtenduren van de wintermaanden. Gelet op de aangehouden afstand tot de woning van appellant en het op jaarbasis beperkte verlies aan bezonning, heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de door de gemeenteraad gekozen planregeling. Verweerder heeft daarbij gewicht mogen toekennen aan het feit dat de woning van appellant is gelegen in een bestaande woonwijk.

2.4.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door appellant bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005

417.