Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200500309/1 en 200500309/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten het uitwerkingsplan "Hofstad I en II" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500309/1 en 200500309/2.

Datum uitspraak: 14 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Houten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten het uitwerkingsplan "Hofstad I en II" vastgesteld.

Bij besluit van 16 november 2004, nr. 2004REG003139i, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2005, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 1 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 maart 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. Th.H.W. Juta, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. W.E.M. Corsten, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Houten, vertegenwoordigd door N.A.H. Keulers, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Voorzitter kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3.    Het plan is een uitwerking van het bestemmingsplan "Globaal bestemmingsplan Houten-Vinex" en voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bestaande woonwijken Hofstad I en II.

2.4.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding 'dakterrassen' voor gronden aan het Pronkmos. Hij voert daartoe aan dat de aanleg van dakterrassen zal leiden tot geluidsoverlast en aantasting van zijn privacy.

2.4.1.    Verweerder acht het bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de aanleg van dakterrassen niet in de weg staat aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor appellant.

2.4.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het bouwplan voor de woonwijk Hofstad I voor het type woningen aan het Pronkmos reeds voorzag in de mogelijkheid op de tweede verdieping, aansluitend op de inspringende derde verdieping, een dakterras aan te leggen en dat bij de bouw van een aantal woningen van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik is gemaakt. De in het plan voorziene mogelijkheid om door middel van het plaatsen van balkonhekjes een dakterras aan te leggen, stemt derhalve overeen met de oorspronkelijke opzet van de woonwijk. De woning van appellant ligt op een afstand van ongeveer 25 meter van de woningen aan het Pronkmos. Gelet hierop is niet aannemelijk dat appellant vanwege de aanleg van dakterrassen aan het Pronkmos, in zijn woning geluidsoverlast zal ondervinden dan wel in zijn privacy zal worden aangetast. De tuin van appellant ligt op een afstand van ongeveer 13 meter van de woningen aan het Pronkmos. Gezien het feit dat de dakterrassen op een hoogte van 6 meter kunnen worden aangelegd, kan gebruik daarvan tot enige geluidsbelasting leiden en bestaat er zicht op de achtertuin van appellant.

Niet aannemelijk is evenwel dat gebruik van de dakterrassen zal leiden tot ernstige geluidsoverlast en aantasting van de privacy van appellant bij verblijf in zijn tuin. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat aanspraken op stilte en privacy per definitie beperkt zijn bij verblijf in de tuin van een woning in stedelijk gebied.

2.4.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door appellant bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005

417.