Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200500252/1 en 200500252/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Borsele, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 mei 2004, het bestemmingsplan "Lewedorp, gedeelte West-Kraaijertpolder" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500252/1 en 200500252/2.

Datum uitspraak: 14 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Borsele, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 mei 2004, het bestemmingsplan "Lewedorp, gedeelte West-Kraaijertpolder" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 november 2004, kenmerk 0411880/74/16, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 9 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2005, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 21 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2005, waar appellante, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.J. Geurts, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Borsele, vertegenwoordigd door I.A. Dekker, ambtenaar van de gemeente.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het ontwerp-plan binnen de in artikel 23, eerste lid, van de WRO gestelde termijn een zienswijze tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een zienswijze in te brengen.

2.2.    Blijkens de publicaties in de Staatscourant en de Provinciale Zeeuwse Courant inzake het ontwerp-plan kon een ieder zijn of haar zienswijze tegen het ontwerp-plan indienen van 29 januari 2004 tot en met 25 februari 2004.

Bij brief van 22 december 2003, bij de gemeente ingekomen op 29 december 2003, heeft [appellante] - op een tijdstip dat er nog geen sprake was van een ontwerp-plan als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO - haar bezwaren tegen de woningbouwplannen op de locatie ingesloten door de Postweg, Korenweg, Burgemeester Lewestraat en Lewedijk kenbaar gemaakt. De brief is een reactie op de brief van het college van burgemeester en wethouders en bevat geen zienswijze tegen het ontwerp-plan.

Vast staat dat [appellante] niet binnen de in artikel 23, eerste lid, van de WRO gestelde termijn een zienswijze tegen het ontwerp-plan heeft ingebracht bij de gemeenteraad.

Geen van de in overweging 2.1. genoemde omstandigheden doet zich voor.

2.3.    Geen rechtvaardiging voor het niet indienen van een zienswijze tegen het ontwerp-plan binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn is gelegen in de door [appellante] aangevoerde omstandigheden dat zij niet persoonlijk op de hoogte is gesteld van de terinzagelegging van het ontwerp-plan en dat de publicatie van deze terinzagelegging niet in de Borselse Bode is opgenomen.

Blijkens de stukken is voldaan aan de in de Algemene wet bestuursrecht en de WRO gestelde eisen ter zake van de bekendmaking van de terinzagelegging van een ontwerp-bestemmingsplan.

Het behoort in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van [appellante] op de hoogte te blijven van het verloop van de procedure en binnen de daarvoor gestelde termijn haar zienswijze in te dienen.

In de WRO noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan.

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat naast de Staatscourant, de Provinciale Zeeuwse Courant het medium is voor gemeentelijke publicaties over bestemmingsplanprocedures. De Borselse Bode wordt door het gemeentebestuur in verband met een te beperkte verschijningsfrequentie niet geschikt geacht als medium voor deze publicaties.

2.4.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.5.    Het beroep van [appellante] is niet-ontvankelijk.

2.6.    Gelet hierop moet het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005

12-447.