Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4222

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200407444/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Aalten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Aalten centrum 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407444/1.

Datum uitspraak: 20 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Aalten,

2.    [appellant sub 2], wonend te Aalten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Aalten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Aalten centrum 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 juli 2004, kenmerk RE2004.24991, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 6 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 2 bij brief van 19 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2004, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 30 september 2004.

Verweerder heeft bij brief van 15 december 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2005, waar appellant sub 1, in persoon, en appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door ing. I.J. van de Hoogte, ambtenaar van de gemeente. Verweerder is, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.2.    [appellant sub1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover daarin is voorzien in een verkleining van het kernwinkelgebied van Aalten. Volgens [appellant sub1] brengt het plan in zoverre een te grote beperking van de mogelijkheden van bedrijfsvoering van detailhandel in Aalten met zich. Daarnaast vreest hij dat verwezenlijking van het plan zal leiden tot waardevermindering van zijn bedrijfspand.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Met de gemeenteraad is hij van mening dat ondernemers niet onnodig worden beperkt in hun bedrijfsvoering in het centrumgebied.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het plan voorziet in een actualisering van de juridisch-planologische situatie van het centrum van Aalten. Daarbij beoogt het plan onder meer de grenzen van het kernwinkelgebied vast te leggen.

2.4.2.    Uit de stukken blijkt dat MKB-Reva B.V. in opdracht van de Federatie Aaltense Middenstand het onderzoek "Aalten: functioneren en structuur van de detailhandel" van juni 2002, heeft opgesteld. Een belangrijke aanbeveling van dit onderzoek is versterking van het kernwinkelgebied door een compact en herkenbaar winkelgebied.

2.4.3.    Blijkens de plantoelichting en de tot het plan behorende notitie "Inventarisatie en visie" is naar aanleiding van genoemd onderzoek het kernwinkelgebied van Aalten verkleind met het oog op concentratie van centrumvoorzieningen in het centrumgebied. Daarbij zal in het westelijk deel van het centrum de nadruk liggen op vestiging van detailhandelzaken. In het oostelijk deel van het centrum is de vestiging van dienstverlenende instellingen beoogd. In het omliggende gebied staat de woonfunctie centraal en is alleen bestaande detailhandel toegelaten.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.5.1.    Voorts ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat genoemde aanbeveling in het onderzoek "Aalten: functioneren en structuur van de detailhandel", waarop het plan voorzover hier van belang in belangrijke mate is gebaseerd, onjuist is. Ook overigens heeft [appellant sub1] niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

Voor zover het plan beperkingen meebrengt voor de bedrijfsvoering van de bestaande detailhandel in het kernwinkelgebied, heeft verweerder deze beperkingen uit planologisch oogpunt aanvaardbaar kunnen achten.

2.5.2.    Wat betreft de waarde van het pand van appellant sub 1] is niet gebleken dat zich een zodanige daling daarvan zal voordoen, dat verweerder daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.5.3.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan op dit punt.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het standpunt van appellant

2.6.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dat betrekking heeft op zijn percelen aan de [locatie]. Volgens [appellant sub 2] brengt de in het plan voor deze gronden voorziene bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "detailhandelsbedrijf" ten opzichte van het vorige bestemmingsplan een beperking van de bouwmogelijkheden met zich. Hij stelt dat het plan voor deze gronden in de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen "detailhandelsbedrijf" en "gestapelde woningen" dient te voorzien. Daarbij betoogt [appellant sub 2] dat verweerder niet is ingegaan op zijn bedenking dat het plan voorzover hier van belang in strijd met het gelijkheidsbeginsel is, omdat het plan voor met zijn gronden vergelijkbare percelen aan de Prinsenstraat en op de hoek Varsseveldsestraatweg-Lichtenvoordsestraatweg voorziet in de bestemming die hij ook voor zijn percelen wenst zoals hij had kenbaar gemaakt.

Het bestreden besluit

2.7.    Verweerder heeft het plan voorzover hier van belang niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre  goedgekeurd. Met de gemeenteraad stelt hij dat het plan minder mogelijkheden voor woningbouw in het centrum kent zodat ten aanzien van woningbouw ter plaatse uit een oogpunt van zowel kwaliteit als kwantiteit meer sturend kan worden opgetreden.

Vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    Het plan voorziet in een actualisering van de juridisch-planologische situatie van het centrum van Aalten. Daarbij beoogt het plan onder meer het aantal nieuw te realiseren woningen te reguleren.

2.8.2.    Het plan voorzover hier van belang is, na het aannemen - kort voor de vaststelling van het plan - van een amendement daartoe, gewijzigd vastgesteld voor de percelen aan de Prinsenstraat 37 en 39 en op de hoek Varsseveldsestraatweg/Lichtenvoordsestraatweg. Daarbij is de in het ontwerp-bestemmingsplan aan deze percelen toegekende bestemming "Bedrijfsdoeleinden" omgezet in de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen "detailhandelsbedrijf" en "gestapelde woningen".

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op de bedenking van [appellant sub2] aangaande de gewijzigde vaststelling van het plan. Verweerder heeft niet onderzocht op grond van welke ruimtelijke motieven de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen "detailshandelbedrijf" en "gestapelde woningen" wel is toegekend aan de percelen op de hoek Varsseveldsestraatweg/Lichtenvoordsestraatweg en aan de Prinsenstraat 37 en 39, maar niet aan de percelen aan de [locatie] van  [appellant sub 2]

Verweerder heeft deze bedenking ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

Gelet hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

De overige bezwaren van [appellant sub 2] behoeven derhalve geen bespreking.

2.10.    Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 29 juli 2004, kenmerk RE2004.24991, voorzover het de gronden van het plangebied met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "detailhandelsbedrijf" aan de [locatie] betreft;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 158,67; het dient door de provincie Gelderland aan [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005

12-447.