Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200500854/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2004, kenmerk 1055814/SdG, heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een vleesvarkenshouderij, gelegen op het perceel Heensedijk 16b te De Heen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500854/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2004, kenmerk 1055814/SdG, heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een vleesvarkenshouderij, gelegen op het perceel Heensedijk 16b te De Heen, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Bij brief van 24 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 maart 2005, waar verzoeker, vertegenwoordigd door C. Franken, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. de Groot en

A.W. Adriaansen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Heensehoeve B.V.", vergunninghoudster, alsmede haar rechtsvoorgangster de [maatschap] beide vertegenwoordigd door mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van verzoeker om ten aanzien van de stal die op het perceel Heensedijk 16b te De Heen wordt opgericht bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen afgewezen omdat volgens hem geen sprake is van een overtreding. Hij heeft hiertoe overwogen dat voor deze stal bij besluit van 30 maart 1999 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning is verleend en dat deze vergunning niet is vervallen, nu de inrichting binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning is voltooid en in werking gebracht.

2.3.    Verzoeker heeft aan zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat de op 24 oktober 2001 onherroepelijk geworden oprichtingsvergunning van 30 maart 1999 is vervallen en dat de stal derhalve zonder daartoe verleende vergunning wordt opgericht. Hij heeft aangevoerd dat de in aanbouw zijnde stal drie jaar na het onherroepelijk worden van de oprichtingsvergunning bij lange na nog niet was voltooid en dat daarin slechts een beperkt aantal varkens werd gehouden.

2.4.    In de uitspraak van 29 december 2004, nr. 200410227/1, heeft de Voorzitter geoordeeld dat reeds vóór 24 oktober 2004 sprake was van een constructie bedoeld en geschikt om als stal te worden gebruikt zodat de inrichting in zoverre is voltooid en voorts dat de inrichting in werking is gebracht, zij het op beperkte schaal, aangezien in de stal op bedrijfsmatige wijze dieren zijn gehouden. Naar het oordeel van de Voorzitter in die uitspraak, is de oprichtingsvergunning van 30 maart 1999 niet vervallen.

   De Voorzitter ziet in hetgeen verzoeker in de onderhavige procedure heeft aangevoerd, en ook overigens, voorshands geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen en concludeert derhalve dat geen sprake is van een overtreding. Naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter heeft verweerder het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen derhalve terecht afgewezen.

2.5.    Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

154-431.