Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
200500784/1 en 200500784/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2004, kenmerk nr. 4536.04, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 22 december 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500784/1 en 200500784/2.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2004, kenmerk nr. 4536.04, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 22 december 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 2 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. W.M. Logtenberg en M.A. Engel, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op een pluimveehouderij voor het houden van 45.674 legkippen in grondhuisvesting en volièrehuisvesting.

   Voor de onderhavige inrichting is eerder bij besluit van 2 november 1993 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend.

2.3.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de opslag van kadavers.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellant heeft de grond inzake de opslag van kadavers niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

   Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

2.5.    Appellant betoogt dat de onderhavige inrichting onaanvaardbare stankhinder veroorzaakt bij de in de directe omgeving van de inrichting gelegen [woningen]. In dit verband voert appellant aan dat verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder ten onrechte de [woning] buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens appellant zal deze woning weer als zodanig in gebruik worden genomen en blijkt onder meer uit de aanslag gemeentelijke belastingen dat verweerder het bouwwerk ook nog als woning aanmerkt. Bovendien zal volgens appellant de stankhinder bij deze woning de verkoop ervan bemoeilijken.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voorzover het de wijze van afstandmeten betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. In het bestreden besluit heeft verweerder de [woning] buiten beschouwing gelaten, aangezien deze woning volgens hem niet meer als zodanig in gebruik is.

2.5.2.    De Voorzitter stelt aan de hand van de stukken vast dat ten aanzien van de [woning], waarvan niet in geding is dat deze als een categorie III-object in de zin van de brochure moet worden aangemerkt, wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn in samenhang met de brochure minimaal in acht te nemen afstand, zodat verweerder, mede gelet op hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd, zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

   Wat betreft de [woning] overweegt de Voorzitter dat bij de beoordeling of een bouwwerk moet worden aangemerkt als een stankgevoelig object als bedoeld in de Richtlijn, het feitelijke gebruik dat van dat object ten tijde van het nemen van het bestreden besluit wordt gemaakt, doorslaggevend is. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Voorzitter vast dat de [woning] omstreeks november 1981 aan de woningvoorraad zoals vermeld in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Waddinxveen is onttrokken en sindsdien ook niet meer als zodanig is gebruikt. Voorts is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de woning sinds 1988 ook niet meer voor andere doeleinden wordt gebruikt, zodat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ook geen sprake was van een met wonen gelijk te stellen verblijf. Tot slot is niet gebleken dat de betreffende woning binnen afzienbare tijd alsnog zal worden bewoond, zodat ook geen sprake is van een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer waar verweerder rekening mee had moeten houden bij zijn beslissing op de aanvraag. Het vorenstaande overziende, vindt de Voorzitter in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder de [woning] bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, zodat verweerder zich ook in zoverre in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

   Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de verkoop van de [woning] wordt bemoeilijkt door de veroorzaakte stankhinder, overweegt de Voorzitter dat deze grond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu.

2.6.    Appellant betoogt dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte de planologische ontwikkelingen voor het gebied waar de onderhavige inrichting in is gelegen niet heeft betrokken.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken van dermate concrete toekomstige ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer dat aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder hiermee rekening had moeten houden bij zijn beslissing op de aanvraag. In hetgeen appellant heeft betoogd, zijn geen aanknopingspunten gelegen voor een ander oordeel.

2.7.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.8.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de opslag van kadavers betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

312-443.