Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200406259/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om vergoeding van schade niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/554
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406259/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om vergoeding van schade niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 21 december 2001 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2000 herroepen door intrekking daarvan en het verzoek om vergoeding van schade afgewezen.

Bij uitspraak van 21 juli 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) - voorzover thans van belang - het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 september 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Deze is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.Q.C. Tak, gemachtigde, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. F.M.A. van der Loo, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 25 oktober 1994 heeft de Minister toepassing gevend aan artikel 27 van de Luchtvaartwet (verder: de Lvw) gelezen in samenhang met artikel 24 van deze wet, onder intrekking van de aanwijzing van 26 oktober 1971, de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht (thans genaamd: Maastricht Aachen Airport, verder: MAA) opnieuw vastgesteld (verder: het A-besluit). In het A-besluit zijn onder meer geluidszones rondom MAA vastgesteld en wordt de aanleg van de oostwest-baan mogelijk gemaakt.

2.1.1.    Bij uitspraak van 2 mei 1997, in de zaken nos. F10.95.0007 en F10.95.0008, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening de 35 Ke-zone overeenkomstig een bij die uitspraak behorende kaart vastgesteld. Op deze kaart is de 35 Ke-zone zoals die zich in 1995 heeft voorgedaan, neergelegd.

2.1.2.    Bij uitspraak van 8 januari 1998, in de zaken nos. E10.95.0026 tot en met E10.95.0085 met uitzondering van E10.95.0028, 0037, 0041, 0048, 0054, 0055, 0060, 0077, 0079 heeft de Afdeling overwogen dat de planologische kernbeslissing Structuurschema burgerluchtvaartterreinen (verder: SBL) niet kan worden aangemerkt als een van kracht zijnd plan, als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) en de Lvw. Zij heeft daarbij - voorzover thans van belang - de beroepen tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van het A-besluit gegrond verklaard en deze beslissing vernietigd.

2.1.3.    Bij de Wet rechtskracht diverse planologische kernbeslissingen van 17 december 1998 (Stb. 721) is het SBL met terugwerkende kracht rechtsgeldigheid toegekend. Het SBL is ingevolge deze wet tot 31 december 2003 een van kracht zijnd plan, als bedoeld in de WRO en Lvw.

2.1.4.    Bij brief van 7 januari 1999 heeft de Minister, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staten-Generaal medegedeeld niet over te gaan tot realisering van de oostwest-baan en de lopende procedure ter zake te beëindigen. Teneinde dit te bewerkstelligen is het A-besluit ambtshalve gewijzigd in het IA-besluit van 28 april 2000. Het IA-besluit legt wat betreft de 35 Ke-zone de in 1995 bestaande situatie vast. Voorts biedt de 40-Ke-zone de wettelijke basis voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen.

2.1.5.    Bij besluiten van 26 januari 2001 heeft de Minister opnieuw beslist op de tegen het A-besluit ingediende bezwaren en voor het eerst beslist op de tegen het IA-besluit ingediende bezwaren. Hiertegen zijn beroepen ingesteld.

2.1.6.    Bij uitspraak van 11 september 2002, no. 200100668/1 heeft de Afdeling op de beroepen beslist in die zin dat de beroepen gericht tegen de beslissing op bezwaar inzake het A-besluit niet-ontvankelijk zijn verklaard en de beslissing op bezwaar inzake het IA-besluit gedeeltelijk is vernietigd.

2.1.7.    Bij besluit van 10 december 2002 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (verder: de Staatssecretaris van VWS) opnieuw beslist op de tegen het IA-besluit ingediende bezwaren.

2.1.8.    Bij besluit van 15 september 2003 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat het IA-besluit gewijzigd.

2.1.9.    Tegen de beslissing op bezwaar inzake het IA-besluit en tegen het besluit van 15 september 2003 zijn beroepen ingesteld.

2.1.10.    Bij uitspraak van 25 februari 2004, no. 200300099/1 heeft de Afdeling op de beroepen beslist in die zin dat de beslissing op bezwaar inzake het IA-besluit gedeeltelijk en het besluit van 15 september 2003 geheel is vernietigd.

2.1.11.    Bij besluit van 29 april 2004 heeft de Staatssecretaris van VWS opnieuw beslist op de tegen het IA-besluit ingediende bezwaren en heeft hij het IA-besluit gewijzigd ten behoeve van een verlenging van de werkingsduur tot 1 januari 2005 naar aanleiding van de uitspraak van 25 februari 2004. Hiertegen zijn beroepen ingesteld.

2.1.12.    Bij uitspraak van 9 februari 2005, no. 200404655/1, heeft de Afdeling - voorzover thans van belang - de beroepen ongegrond verklaard.

2.2.       Ter zitting heeft appellant betoogt dat hij schade lijdt ten gevolge van het niet doorgaan van de oostwest-baan. Doordat de oostwest-baan niet is doorgegaan heeft de gemeente Meerssen de onderhandelingen met appellant over de aankoop van aan hem toebehorende percelen landbouwgrond ten behoeve van het oprichten van woningbouw afgeblazen. De Minister heeft het IA-besluit van 28 april 2000 genomen zonder rekening te houden met de bijzondere belangen van appellant in het kader van de voorgenomen verkoop. Het feit dat appellant tegen het IA-besluit heeft geprocedeerd, heeft de Minister niet tot andere gedachten gebracht: niet tot bijstelling van het IA-besluit, maar ook niet tot toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor heeft de Minister onrechtmatig jegens hem gehandeld, aldus appellant.

2.3.       Bij de hiervoor vermelde uitspraken van de Afdeling van 11 september en 25 februari zijn de door de Minister genomen besluiten op de bezwaren tegen het IA-besluit gedeeltelijk en tegen het besluit van 15 september tot wijziging van het IA-besluit geheel vernietigd. De gronden voor deze vernietigingen lagen echter niet in het ontbreken van een belangenafweging in de door appellant bedoelde zin. De vernietigingen als zodanig brengen naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet mee dat het IA-besluit jegens appellant onrechtmatig moet worden geacht, omdat daarin geen rekening is gehouden met zijn belang in het kader van de voorgenomen verkoop.

      Bovendien kan niet staande worden gehouden dat het IA-besluit de door appellant gestelde schade heeft veroorzaakt. De Afdeling overweegt hiertoe het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt, dat er in de loop van 1998 onderhandelingen gaande waren tussen het gemeentebestuur van Meersen en appellant over de verkoop van de genoemde percelen grond. In dit kader zijn wederzijds biedingen gedaan zonder dat gebleken is dat er al (nagenoeg) overeenstemming bestond over de prijs. Na het besluit van de regering om af te zien van de aanleg van de Oost-Westbaan, dat is geformaliseerd in het IA-besluit, heeft het gemeentebestuur van Meersen de onderhandelingen beëindigd. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gezegd dat de gestelde schade van appellant - wat daar verder ook van zij - het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van het IA-besluit.

2.4.       Appellant heeft in hoger beroep verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Hij beroept zich daarbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 december 2004 in zaak nr. 01/1110 WW (AB 2005, 73; JB 2005/30) en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 november 2004 in de zaak Pizzati tegen Italië (no. 62361/00, ECHR 2005/22; JB 2005/1). De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet is overschreden. Weliswaar is tussen het indienen van het bezwaarschrift op 22 december 2000 en de uitspraak van de Afdeling ruim vier jaar verstreken, maar mede gelet op de complexiteit van de zaak, waarbij de grondslag van het verzoek om schadevergoeding ter zitting definitief is komen vast te staan, en het feit dat gedurende deze periode een beslissing op bezwaar is gegeven en een behandeling in twee rechterlijke instanties heeft plaatsgevonden, kan niet worden gezegd dat deze periode onredelijk lang is geweest. Voor een vergoeding van schade wegens schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is dan ook geen reden.

2.5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met aanvulling van gronden te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Haan

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

401.