Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200407230/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2004, kenmerk 1492 doss.03/02, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Remix Droge Mortel B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een productiebedrijf voor het samenstellen van droge mortel op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 22 juli 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/3605
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407230/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2004, kenmerk 1492 doss.03/02, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Remix Droge Mortel B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een productiebedrijf voor het samenstellen van droge mortel op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 22 juli 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 27 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 september 2004.

Bij brief van 8 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2005, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Jansen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord "Remix Droge Mortel B.V.", vertegenwoordigd door ing. J.F.K. Kruse, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het de gronden inzake lichthinder, de werktijden en de aan- en afvoerbewegingen betreft.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten hebben de grond inzake lichthinder niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vinden de gronden inzake de werktijden en de aan- en afvoer wel hun grondslag in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat de inrichting aanzienlijke geluidoverlast gedurende 24 uur per dag, inclusief de weekeinden, zal veroorzaken. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.2.    Appellanten zijn beducht voor geluidhinder. Zij voeren aan dat op basis van de vergunning de inrichting een aantal keer per jaar (in elk geval meer dan twaalf) gedurende een heel etmaal in werking mag zijn. Naar hun mening had verweerder het aantal keren dat de inrichting op deze manier in werking mag zijn, moeten begrenzen.

   Voorts stellen zij dat het in werking treden van de geluidgrenswaarden in de vergunningvoorschriften 9.1, 9.2 en 9.3 ten onrechte afhankelijk is gesteld van het realiseren van diverse geluidreducerende voorzieningen, die in het akoestisch rapport van Alcedo B.V., gedateerd 23 juni 2003, als "fase 1" zijn aangeduid. De termijn van twee jaar die voor het uitvoeren van de voorzieningen in voorschrift 9.5 is gesteld, achten zij niet realistisch. Bovendien geldt in deze periode geen geluidregime, aldus appellanten.

   Tot slot betogen appellanten dat de gestelde geluidgrenswaarden te ruim zijn en dat geen rekening is gehouden met de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

2.3.    Verweerder heeft betoogd dat de maatregelen die als "fase 1" in het akoestisch rapport zijn beschreven halverwege 2005, en dus binnen de gestelde termijn, zullen zijn gerealiseerd. Op dat moment kan derhalve ook aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. Met betrekking tot het geluidregime in de tussenliggende periode, voert verweerder aan dat in het akoestisch rapport de geluidbelasting in de situatie dat (nog) geen maatregelen zijn getroffen, is weergegeven. Aangezien het akoestisch rapport deel uitmaakt van de aanvraag en de aanvraag op haar beurt deel uitmaakt van de vergunning, gaat verweerder er van uit dat vergunninghoudster gehouden is aan de opgegeven waarden. Verder betoogt hij in dit verband dat vergunninghoudster een instructie aan haar personeel heeft doen uitgaan, inhoudende dat geluidhinder zo veel mogelijk moet worden beperkt.

   Met betrekking tot de te ruim gestelde geluidgrenswaarden, stelt verweerder dat ter bescherming van de woningen ten oosten van de inrichting, waaronder die van appellanten, geluidgrenswaarden zijn gesteld in voorschrift 9.2 voor enig punt op 100 meter ten oosten van de inrichting. Aangezien de woning van appellanten op zo'n 1.000 meter ten oosten van de inrichting is gelegen, is het naar hun mening aannemelijk dat ter hoogte van deze woning niet voor onaanvaardbare geluidhinder behoeft te worden gevreesd.

2.4.    In voorschrift 9.1 zijn voor de situatie dat de als "fase 1" aangeduide voorzieningen zijn getroffen, geluidgrenswaarden gesteld ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Deze geluidgrenswaarden zijn ter plaatse van beoordelingspunt 1 (de woning Ellertsweg 2) gesteld op 46 dB(A), 48 dB(A) en 44 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ter plaatse van beoordelingspunt 2 (de woning [locatie 2]) zijn de geluidgrenswaarden gesteld op 47 dB(A), 47 dB(A) en 42 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   In voorschrift 9.3 zijn voor beoordelingspunt 1 grenswaarden voor het piekgeluidniveau vastgesteld van 57 dB(A), 49 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor beoordelingspunt 2 zijn piekgeluidniveaus vastgesteld op 59 dB(A), 47 dB(A) en 59 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 9.2 gelden ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op enig punt op 100 meter ten oosten van de inrichting, op een hoogte van vijf meter boven maaiveld, na het treffen van de als fase 1 aangeduide voorzieningen geluidgrenswaarden van 50 dB(A), 50 dB(A) en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.    Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het in ieder geval niet de bedoeling is dat de inrichting gedurende het hele jaar 24 uur per dag in werking is. Uit de aanvraag noch uit het bestreden besluit blijkt echter in hoeverre het aantal malen dat de inrichting 24 uur per dag in werking is, is beperkt. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd genomen met het beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

   Voorts overweegt de Afdeling dat de in de voorschriften 9.1, 9.2 en 9.3 gestelde geluidgrenswaarden afhankelijk zijn gesteld van het aanbrengen van de voorzieningen die als "fase 1" zijn aangeduid. Deze voorzieningen dienen ingevolge voorschrift 9.5 binnen twee jaar na het in werking treden van de vergunning te zijn uitgevoerd. Nog daargelaten of het mogelijk is de voorzieningen daadwerkelijk binnen deze termijn te treffen, heeft verweerder voor de tussenliggende periode geen voorschriften gesteld ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder bij de dichtstbijgelegen woningen en de woning van appellanten. Het bestreden besluit verdraagt zich daarom in zoverre niet met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. De stelling van verweerder dat in de tussenliggende periode de geluidgrenswaarden uit het akoestisch rapport behorende bij de aanvraag gelden, deelt de Afdeling niet. Vergunninghoudster kan immers louter activiteiten aanvragen en geen geluidgrenswaarden. Evenmin is in het bestreden besluit uitdrukkelijk bepaald dat geluidgrenswaarden uit het akoestisch rapport gelden in de tussenperiode.

   Met betrekking tot de geluidgrenswaarden die gelden na voltooiing van "fase 1" overweegt de Afdeling dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de geluidgrenswaarden in voorschrift 9.2 ter hoogte van de woningen van appellanten en ter hoogte van de woningen [locatie 3] en [locatie 2] toereikend zijn ter beperking van geluidhinder. De gestelde geluidgrenswaarden voor de woningen [locatie 3] en [locatie 2] overschrijden immers de richtwaarden uit de Handreiking voor een landelijke omgeving aanzienlijk. Het bestreden besluit berust derhalve in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.6.    Gelet op het voorgaande dient het beroep, voor zover ontvankelijk, gegrond te worden verklaard. Nu de geluidaspecten bepalend zijn voor de vraag of vergunning kan worden verleend, komt het gehele besluit voor vernietiging in aanmerking. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake lichthinder betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn, van 14 juli 2004, kenmerk 1492 doss. 03/02;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn, tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 379,08, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Borger-Odoorn aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Borger-Odoorn aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Van Helvoort

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

361.