Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200407751/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan de [wederpartij] een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een damwand, betonvloeren en keerwanden op het perceel [locatie] achter de watertoren te Hillegom, kadastraal bekend gemeente Hillegom, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407751/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 augustus 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Lisse

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan de [wederpartij] een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een damwand, betonvloeren en keerwanden op het perceel [locatie] achter de watertoren te Hillegom, kadastraal bekend gemeente Hillegom, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 juli 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2004, verzonden op 16 augustus 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 2004 heeft [wederpartij] een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 1 november 2004 heeft [wederpartij] bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door het college.

Het beroepschrift is door de rechtbank met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Afdeling.

Bij besluit van 28 januari 2005 heef het college een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift genomen en het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 2 februari 2005 heeft [wederpartij] de gronden van haar beroep van 1 november 2004, dat zich van rechtswege mede uitstrekt tot het voormeld besluit van 28 januari 2005, aangevuld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door drs. H.P. van de Ven, ambtenaar van de gemeente Hillegom, is verschenen. Tevens is daar [wederpartij] gehoord, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te 's-Hertogenbosch.

2.    Overwegingen

2.1.     Op  het perceel is het bestemmingsplan "Hillegom Zuid" van toepassing, met uitzondering van een 25 meter brede strook aan de noordzijde van het perceel, waarvoor het bestemmingsplan "Landelijk gebied" geldt. Het bouwplan is gedeeltelijk gelegen op voornoemde strook.  Aan deze gronden is in het bestemmingsplan "Landelijk gebied" de bestemming "Bedrijven (B)" toegekend.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, zijn deze gronden, voorzover thans van belang, bestemd voor:

a. bedrijven waarop de Hinderwet en de Wet inzake de Luchtverontreiniging niet van toepassing zijn, met uitzondering van detailhandelsbedrijven;

b. bedrijven als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij deze voorschriften behorende en als zodanig gewaarmerkte Staat van Inrichtingen, met uitzondering van detailhandelsbedrijven;

c. (…)

d. (…)

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder b., mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht

2.2.    Het college bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag voldoet aan het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder b. en artikel 9, tweede lid, onder b., zodat de aanvraag ten onrechte ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder a., is geweigerd.

2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [wederpartij] op een deel van het perceel waarop het bestemmingsplan "Hillegom-Zuid" van toepassing is, in overeenstemming met dit plan, bouwafvalstoffen wenst te ontvangen, te scheiden en te sorteren en dat de  strook grond van het perceel waarop het bouwplan is voorzien, door haar uitsluitend zal worden gebruikt voor opslag van bouwmaterialen. Een bedrijf dat bouwmaterialen opslaat is ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied" op deze strook toegelaten.

   Uit voormeld artikel 9, eerste lid, onder b., volgt dat voor het antwoord op de vraag op het beoogde gebruik voldoet aan deze bepaling moet worden beoordeeld of het bedrijf als geheel daaraan voldoet. Voor een beoordeling of een afzonderlijke bedrijfsactiviteit - als onderdeel van een ter plaatse gevestigd bedrijf - in overeenstemming is met het bestemmingsplan biedt het bepaalde in  dit artikelonderdeel geen aanknopingspunt.

   Vastgesteld wordt dat het bedrijf van [wederpartij] voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, onder b., moet worden aangemerkt als een inrichting voor het bewerken van bouwmaterialen. Een dergelijk bedrijf is ingedeeld in categorie 3 van de Staat van Inrichtingen van het bestemmingsplan "Landelijk gebied". De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder b., van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied". Het betoog slaagt.

2.4.     Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de vraag of het college, gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder a., de aanvraag terecht heeft geweigerd, zal de Afdeling daarop ingaan, teneinde te kunnen beoordelen of de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd dan wel met verbetering van gronden moet worden bevestigd.

2.5.    Uit de bewoordingen van artikel 9, eerste lid, onder a., van de planvoorschriften volgt dat op het perceel geen bedrijven zijn toegelaten waarop ten minste één van de daar genoemde wetten van toepassing is.

   Per 1 maart 1993 zijn de Hinderwet en de Wet inzake de Luchtverontreiniging ingetrokken en vervangen door de Wet milieubeheer. Indien deze niet was ingetrokken, zou de Hinderwet, zoals deze luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, van toepassing zijn op het bedrijf, dat op die grond niet zou zijn toegelaten. Thans is op het bedrijf de Wet Milieubeheer van toepassing. Dit laat onverlet dat naar de bedoeling van de planwetgever dat het bedrijf niet voldoet aan het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder a., van de planvoorschriften. Het college heeft de bouwaanvraag terecht op deze grond geweigerd.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Nu de rechtbank het college ten onrechte heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, dient de nieuwe beslissing op bezwaar van 28 januari 2005 reeds hierom te worden vernietigd. Niet gebleken is dat [wederpartij] nog procesbelang heeft bij een oordeel over het beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Dit beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.7.     Deze niet-ontvankelijkverklaring staat evenwel niet in de weg aan een proceskostenveroordeling ten laste van het college. Gelet op de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 14 december 2004 in deze zaak, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening van het college ter zake van de verplichting een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is afgewezen, was het college gehouden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Onder deze omstandigheden bestaat er aanleiding voor een veroordeling van het college in de door [wederpartij] gemaakte proceskosten voor haar beroep tegen het uitblijven van zodanige beslissing. De Afdeling is van oordeel dat daarbij toepassing dient te worden gegeven aan de wegingsfactor "zeer licht" (0,25), nu het hier een eenvoudige vraag betreft, waarbij geen materiële beoordeling van het geschil behoefde plaats te vinden. Voor het overige bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 augustus 2004, AWB 03/3095 Wow44;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 17 juli 2003 ongegrond.

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 28 januari 2005;

V.    verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hillegom in de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 80,50, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Hillegom te worden betaald aan appellante.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Lodder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

17-381.