Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200403290/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 1998 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) appellante op grond van de Regeling Communautair Initiatief Adapt II (hierna: de Regeling) een subsidie ten bedrage van maximaal ƒ 408.953,00 (€ 185.574,78) toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 238 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403290/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Regionaal Samenwerkingsverband Procesindustrie", gevestigd te Tilburg,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 maart 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 1998 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) appellante op grond van de Regeling Communautair Initiatief Adapt II (hierna: de Regeling) een subsidie ten bedrage van maximaal ƒ 408.953,00 (€ 185.574,78) toegekend.

Bij besluit van 29 maart 2002 heeft de minister de subsidie vastgesteld op ƒ 3.200,00 (€ 1.452,10) en na verrekening de reeds uitbetaalde voorschotten ten bedrage van ƒ 323.961,00 (€ 147.007,09) teruggevorderd.

Bij besluit van 24 april 2003 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2004, verzonden op 11 maart 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 mei 2004 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.T.M. Evers, advocaat te Helmond, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gelauff, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de verlening vast.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef, van de Regeling wordt de subsidie berekend over het totaal van de noodzakelijk ten behoeve van de voorbereiding, de uitvoering en het beheer van een project gemaakte kosten.

   Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Regeling, voorzover hier van belang, is de subsidie gelijk aan het totaal van de kosten van het project, als bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag aan kosten dat wordt gedragen door anderen dan degene aan wie de subsidie werd toegekend.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Regeling, voorzover thans van belang, zal degene aan wie subsidie krachtens de Regeling is toegekend, een inzichtelijke en controleerbare aparte administratie bijhouden of doen bijhouden met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband hiermee gedane uitgaven. Deze administratie zal bestaan uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, geeft de deelnemersadministratie inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, geeft de financiële administratie inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

   Ingevolge artikel 12, vijfde lid, biedt de administratie voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Regeling dient degene aan wie subsidie krachtens deze regeling is toegekend, binnen zes maanden na beëindiging van het project een verzoek in om definitieve vaststelling van het subsidiebedrag waarop aanspraak bestaat. Bij dit verzoek wordt een declaratie gevoegd van de gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 10, eerste lid.

   Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Regeling is de einddeclaratie voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage IV bij de Regeling gevoegde model.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kan de subsidietoekenning geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen de op basis daarvan uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd, indien degene aan wie de subsidie is toegekend een der voorschriften, vervat in, voorzover thans van belang, de artikelen 12 of 13 niet naleeft.

2.2.    De minister heeft bij besluit van 29 maart 2002 naar aanleiding van de door appellante ingediende einddeclaratie en op basis van de in opdracht van de minister uitgevoerde accountantscontrole door accountantskantoor Ernst&Young (hierna: E&Y) de subsidiabele kosten gecorrigeerd vastgesteld op € 396.703,29 (ƒ 871.219,00) en vastgesteld dat, rekening houdend met het bedrag dat als cofinanciering in mindering op de vast te stellen subsidie moet worden gebracht, recht bestaat op een totaal subsidiebedrag van € 1.452,10 (ƒ 3.200,00).

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister aan het bestreden besluit het controlerapport van E&Y ten grondslag heeft mogen leggen. E&Y geven in dat rapport aan dat zij de juistheid van de opstelling van de privaatrechtelijke financiering niet hebben kunnen beoordelen en dat daarom vooralsnog het volledige bedrag als cofinanciering is opgenomen. Deze conclusie had voor de minister aanleiding moeten zijn om appellante daarover te horen en op dit punt nader onderzoek te doen alvorens een besluit te nemen. Door dit niet te doen is, aldus appellante, het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

2.3.1.    De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat, gelet op de administratieve verplichtingen die appellante op grond van artikel 12 van de Regeling heeft, het aan appellante is om een financiële administratie bij te houden die inzicht geeft in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend, zodat deze administratie voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van deze voorwaarden. E&Y heeft op grond van de aanwezige financiële administratie - die niet aan deze criteria van artikel 12 voldeed - niet met zekerheid kunnen vaststellen dat de opstelling van de privaatrechtelijke financiering in de einddeclaratie juist was. In de accountantsverklaring van 15 juni 2000, afgegeven door de eigen accountant van appellante, wordt tot dezelfde bevinding gekomen. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de minister in de bevinding van E&Y aanleiding had moeten zien om appellante daarover te horen en daarnaar onderzoek te doen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister het rapport van E&Y van 21 maart 2002 aan de vaststelling ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog van appellante faalt.

2.4.    Het betoog van appellante dat de rechtbank in verband met haar beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op de rechtstreeks werkende bepalingen van het Gemeenschapsrecht, bij de uitleg van de Regeling minder gewicht toekomt aan artikel 4:46 van de Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan niet slagen, reeds omdat de beslissing op bezwaar daarmee niet in strijd is. Dat de minister het gerechtvaardigd vertrouwen bij appellante heeft gewekt dat hij het reeds uitbetaalde subsidiebedrag niet zou terugvorderen, is door appellante op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

2.5.    het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

47-362.