Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200408452/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2003 heeft verweerder het aantal formatieplaatsen met betrekking tot de aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen voor het schooljaar 2003/2004 ten behoeve van de Openbare Scholengemeenschap Echnaton te Almere aangepast aan de door de accountant gevalideerde telgegevens van 1 oktober 2002 en vastgesteld op 6,1345 fulltime equivalenten (hierna: fte) (inclusief 7,81% herbezetting ADV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2005/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408452/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere, gevestigd te Almere,

appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2003 heeft verweerder het aantal formatieplaatsen met betrekking tot de aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen voor het schooljaar 2003/2004 ten behoeve van de Openbare Scholengemeenschap Echnaton te Almere aangepast aan de door de accountant gevalideerde telgegevens van 1 oktober 2002 en vastgesteld op 6,1345 fulltime equivalenten (hierna: fte) (inclusief 7,81% herbezetting ADV).

Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar, op de gronden genoemd in het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 4 augustus 2004, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 november 2004.

Bij brief van 9 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 22 december 2004 en 11 januari 2005 hebben partijen nadere reacties ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2005, waar  verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Visser, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 85a, eerste lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs (hierna: de WVO) kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor personeelskosten, indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven.

2.1.1.    Ter uitvoering van artikel 85a van de WVO strekt de Regeling aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen WVO 2002, gepubliceerd in Uitleg Gele Katern nr. 11 van 24 april 2002 (hierna: de Regeling).

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling kan aan het bevoegd gezag van een school per schooljaar een aanvullende personele bekostiging worden toegekend in verband met de bestrijding van onderwijsachterstanden van leerlingen behorende tot culturele minderheidsgroeperingen en anderstalige leerlingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang en voorzover hier van belang, wordt het aantal formatieplaatsen ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging vastgesteld door de in het tweede lid genoemde ratio leraar/leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen van de minderheidsgroep bedoeld in artikel 3, eerste lid, dat op de teldatum 1 oktober voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, als werkelijk schoolgaand bij de school staat ingeschreven.

2.2.    Verweerder heeft het aantal op grond van de Regeling aan de Openbare Scholengemeenschap Echnaton te Almere toe te kennen formatieplaatsen voor het schooljaar 2003/2004 naar aanleiding van een accountantscontrole gecorrigeerd en vervolgens lager vastgesteld, omdat ten aanzien van de leerlingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling onvoldoende is onderbouwd dat zij als leerlingen, behorend tot de in de Regeling bedoelde culturele minderheidsgroeperingen en anderstaligen, beschouwd moeten worden.

2.3.    Appellante heeft in bezwaar aangevoerd dat van al deze leerlingen kan worden aangetoond dat ze een gedeelte of het gehele schooljaar vanaf augustus 2002 les hebben gevolgd. Appellante heeft in bezwaar een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid en verweerder verzocht de aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen voor het schooljaar 2003-2004 alsnog vast te stellen op 6,4035 fte.

2.4.    Verweerder heeft zich bij de ongegrondverklaring van het bezwaar gebaseerd op het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 4 augustus 2004. In dit advies wordt geconcludeerd dat verweerder bij de uiteindelijke vaststelling van de aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen is uitgegaan van het juiste aantal leerlingen, dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat de betrokken leerlingen alsnog worden meegeteld voor de bekostiging en dat appellante niet heeft aangegeven waarom de correcties die door de accountant zijn gemaakt, niet terecht zouden zijn gemaakt.

2.5.    In beroep heeft appellante, voorzover hier van belang, aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat hierin geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.6.    De Afdeling stelt vast dat het geschil is beperkt tot de lagere vaststelling van het aantal formatieplaatsen op grond van een accountantscontrole van het aantal hiervoor bedoelde leerlingen. Nu door appellante niet aannemelijk is gemaakt dat de correcties die door de accountant zijn aangebracht, niet juist zijn, heeft verweerder terecht de bekostiging overeenkomstig de opgave van de accountant vastgesteld. Anders dan appellante meent, kan uit de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003, inzake nr. 200302281/1, niet worden afgeleid dat voor verweerder de mogelijkheid openstaat af te wijken van de Regeling. In genoemde zaak ging het om toepassing van een andere regeling, waarbij verweerder in een aantal limitatief opgesomde gevallen de discretionaire bevoegdheid heeft toch een bijdrage toe te kennen. Een dergelijke mogelijkheid biedt de Regeling niet.

   Verweerder heeft terecht en op goede gronden het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit van 28 november 2003 gehandhaafd.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

164-420.