Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200407551/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2002 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) geweigerd om op verzoek van [verzoekers] handhavend op te treden tegen de slachtactiviteiten en de houtbewerkingsactiviteiten op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407551/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te [plaats] (gemeente Haaksbergen),

2.    het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 augustus 2004 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

en

appellante sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2002 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) geweigerd om op verzoek van [verzoekers] handhavend op te treden tegen de slachtactiviteiten en de houtbewerkingsactiviteiten op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft het college het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellante sub 1 bij brief van 8 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2004, en het college bij brief van 10 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 oktober 2004 heeft appellante sub 1 een reactie ingediend.

Bij brief van 8 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 7 november 2004 hebben [verzoekers]. een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1, het college en van [verzoekers]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2005, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [een van de maten] en bijgestaan door mr. A.J. Louter, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H. Willems en G.E.M. Willemsen, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [verzoekers] daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 16 september 2002 hebben [verzoekers]. verzocht handhavend op te treden tegen de bedrijfsmatige slachtactiviteiten, de verkoop van vlees (de slagerijactiviteiten) en de bedrijfsmatige houtbewerkingsactiviteiten op het perceel. Bij besluit van 13 november 2002, gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2003, heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de slachtactiviteiten en de houtbewerkingsactiviteiten op het perceel. In laatstgenoemd besluit is, voorzover thans van belang, overwogen dat onder slachtactiviteiten ook slagerijactiviteiten moeten worden verstaan.    

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W)".

   Ingevolge artikel 6, lid A, van de planvoorschriften zijn de voor woondoeleinden aangewezen gronden bestemd voor, voorzover thans van belang, woningen.

   Ingevolge artikel 30, lid A, is het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan geldende bestemming.

   Ingevolge artikel 30, lid B, onder 1, mag het gebruik van gronden en opstallen strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, worden gehandhaafd.

   Ingevolge artikel 30, lid B, onder 2, geldt het bepaalde onder 1 niet voor een gebruik dat met de in het voorgaande bestemmingsplan aangewezen bestemming strijdig was en welk strijdig gebruik een aanvang heeft genomen nadat dit voorgaande bestemmingsplan rechtskracht had verkregen.

   Ingevolge artikel 30, lid C, is wijziging van het met het plan strijdige gebruik van gronden en opstallen verboden, tenzij door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

   Ingevolge het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied 1978") rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met agrarische bebouwing".

   Ingevolge artikel 3, lid A, van de bij dit plan behorende voorschriften, voorzover thans van belang, zijn gronden bestemd voor agrarisch gebied met agrarische bebouwing bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf alsmede voor het bosbouwbedrijf, met daarbij behorende bebouwing en erven.

   Dit bestemmingsplan is op 23 februari 1978 in werking getreden.

2.3.    Vast staat en niet in geschil is dat de door appellante sub 1 verrichte verkoopactiviteiten in strijd zijn met de voor het perceel geldende woonbestemming en dat zij derhalve op grond van artikel 30, lid A, van de planvoorschriften, zijn verboden. Voorts is niet in geschil dat die activiteiten reeds voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied" op 31 augustus 2001 zijn aangevangen en dat de verkoopactiviteiten ook in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1978".

   Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of met succes een beroep op het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 30, lid B, onder 1, van de planvoorschriften, kan worden gedaan.

   Ter zitting is door appellante sub 1 verklaard dat het slachten van kippen en de verkoop van geslacht kippenvlees niet meer op het perceel plaatsvindt, zodat in zoverre geen beroep meer op het overgangsrecht wordt gedaan. Het geschil beperkt zich derhalve tot de vraag of wat de verkoop op het perceel van elders geslacht geiten- en schapenvlees betreft met succes een beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de verkoop van geiten- en schapenvlees op het perceel reeds op relevante schaal plaatsvond vanaf 1974, dat wil zeggen vóór 23 februari 1978, de datum van inwerkingtreding van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1978", en dat artikel 30, lid B, onder 1, voornoemd, dan ook onverkort van toepassing is.

2.4.1.    Vooropgesteld wordt dat het college bij besluit van 13 mei 2003 het besluit van 13 november 2002 tot weigering handhavend op te treden heeft gehandhaafd onder verwijzing naar (onder meer) het overgangsrecht, zoals dit is opgenomen in artikel 30, lid B, onder 1, voornoemd. Onder die omstandigheid heeft de rechtbank in de uitspraak, gedaan op het door [verzoekers] tegen eerstgenoemd besluit ingestelde beroep, anders dan het college betoogt, terecht overwogen dat het college aannemelijk diende te maken dat het overgangsrecht van toepassing is.

   Noch door het college, noch door appellante sub 1, waarvan een van de maten in het verleden werkzaam was als boekhoudkundige, zijn objectieve gegevens, zoals boekhoudkundige verslagen, accountantsverklaringen of belastingaanslagen, overgelegd die grond bieden voor het oordeel dat reeds vóór 23 februari 1978 verkoopactiviteiten (van enige omvang) op het perceel plaatsvonden. De door appellanten genoemde brief van het college van 10 september 1987, de memo van 9 april 2002 en het ambtelijk advies aan het college van 31 mei 2002 kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu deze stukken betrekking hebben op de inmiddels beëindigde slachtactiviteiten. Bij het vorenstaande is in aanmerking genomen dat in de door [verzoekers] bij brief van 7 november 2004 overgelegde stukken uit 1975, verband houdend met een aanvraag van [een van de maten] om bouwvergunning voor een fokvarkensschuur op het perceel, in het bijzonder de brief van 21 februari 1975 van de gewestelijke raad voor Overijssel van het Landbouwschap, geen enkele melding wordt gemaakt van dergelijke activiteiten op het perceel. In het licht van het voorgaande dient ook de betekenis van de door appellante sub 1 bij brief van 21 januari 2005 overlegde verklaringen van personen die op enigerlei wijze een relatie met haar hadden, welke verklaringen op zichzelf vaag en weinig gedetailleerd zijn en evenmin duidelijkheid verschaffen over de aard en de omvang van de verkoopactiviteiten, gerelativeerd te worden.

   Met de rechtbank wordt dan ook overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, waaronder ook het gebruik van de toegangsweg ten behoeve van de verkoopactiviteiten moet worden begrepen, vóór 23 februari 1978 is aangevangen. Evenmin is aannemelijk dat die verkoopactiviteiten destijds op relevante schaal plaatsvonden. Gelet hierop kon geen geslaagd beroep op het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 30, lid B, onder 1, voornoemd, worden gedaan. Het betoog van appellanten faalt dan ook.

   Nu op bovengenoemde gronden geen geslaagd beroep op het overgangsrecht kon worden gedaan, behoeft het betoog van het college, dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet is vergroot, geen bespreking meer.

2.5.    De conclusie is, dat is gehandeld in strijd met artikel 30, lid A, van de planvoorschriften, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de rechtszekerheid zich verzet tegen handhavend optreden, kan niet slagen. Anders dan in de door het college genoemde uitspraak van 6 november 2002 in zaak no. 200202374/1, wordt met de rechtbank geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van een lange periode van stilzitten door het bestuursorgaan.  Uit de stukken, waaronder het eerdergenoemde ambtelijk advies van 31 mei 2002, kan immers worden afgeleid dat door het college in het verleden diverse pogingen zijn ondernomen om het strijdige gebruik te beëindigen. Appellante sub 1 mocht er dan ook niet op vertrouwen dat niet handhavend zou worden opgetreden.

2.7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 215,90; het dient door de gemeente Haaksbergen aan [verzoekers]. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

66-423.