Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200407187/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2001, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 2 april 2001, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college ) het verzoek van [appellant A] om een vergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater (hierna: de VHB) ten behoeve van de exploitatie van het [naam passagiersvaartuig] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407187/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2001, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 2 april 2001, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college ) het verzoek van [appellant A] om een vergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater (hierna: de VHB) ten behoeve van de exploitatie van het [naam passagiersvaartuig] afgewezen.

Bij uitspraak van 14 juli 2003 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van [appellant A] gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het college het door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [appellant A] ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het beroep van [appellant B] ongegrond verklaard. Voorts heeft de voorzieningenrechter het verzoek een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2005, waar [appellant B] in persoon en bijgestaan door mr. J.C. Klompé, advocaat te Hilversum, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.1.    Appellanten hebben ter zitting in hoger beroep hun standpunt dat de voorzieningenrechter op onjuiste gronden het verzoek om voorlopige voorziening heeft afgewezen en dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant A] vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang niet kan worden aangemerkt als belanghebbende, ingetrokken.

2.2.    Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de VHB is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een passagiersvaartuig te exploiteren.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid en milieu.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders, gelet op de in het tweede lid vermelde belangen, ter beperking van het aantal vaartuigen de vergunning weigeren, dan wel bij de vergunning een maximum bepalen van het aantal te exploiteren vaartuigen.

2.3.    [appellant B] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de exploitatievergunning op goede gronden heeft geweigerd. Zij stelt primair dat de nadere uitwerking van het volumebeleid in strijd is met dat beleid. Subsidiair is zij van mening dat het [naam passagiersvaartuig] wel degelijk een klassieke salonboot is. Meer subsidiair voert zij aan dat het college een beperkte vergunning had moeten afgeven.

2.4.    Het college heeft bij besluit van 30 augustus 1994 op grond van artikel 2.12, derde lid, van de VHB een zogeheten volumebeleid vastgesteld. Dit beleid is nadien twee keer gewijzigd, te weten bij besluiten van 16 juli 1996 en van 17 december 1996. Deze besluiten zijn op de wettelijk voorgeschreven wijze gepubliceerd in het Gemeenteblad 1996, afdeling 3, nr. 62 respectievelijk Gemeenteblad 1996, afdeling 3, nr. 104.

2.4.1.    Het primaire standpunt van [appellant B] houdt in dat haar verzoek moet worden getoetst aan het volumebeleid zoals dat in eerste instantie is vastgesteld. Zij wijst er in dit verband op dat het besluit van 16 juli 1996 als een nuancering van het volumebeleid en dat van 17 december 1996 als een nadere uitwerking nuancering volumebeleid is aangeduid. Haars inziens kunnen deze besluiten alleen worden toegepast voorzover zij niet in strijd komen met het volumebeleid zoals in eerste instantie vastgesteld.

2.4.2.    Het betoog van het college dat niet meer op de vraag of de nuancering van het volumebeleid en de nadere uitwerking daarvan niet onredelijk of anderszins rechtens onjuist is, kan worden ingegaan omdat [appellant B] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2003, waarin de rechtbank deze vraag reeds in de door het college voorgestane zin heeft beantwoord, moet worden verworpen. De uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, waarnaar het college in dit verband heeft gewezen, is na de uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2003 gewezen. In de uitspraak van de Afdeling is overwogen dat bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen uitspraken, waarin beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen, met name als tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld, omdat betrokkene, afgaande op eerdere jurisprudentie, in de veronderstelling verkeerde dat deze beroepsgronden in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling aan de rechtbank konden worden voorgelegd. Die situatie doet zich hier voor. [appellant B] kan derhalve niet worden tegengeworpen dat zij destijds geen hoger beroep heeft ingesteld tegen genoemde uitspraak van de rechtbank.

2.4.2.1.    Het hierboven onder 2.4.1. vermelde primaire standpunt van [appellant B] wordt door de Afdeling niet onderschreven. Uit de VHB valt niet af te leiden dat het college na de eerste vaststelling van een volumebeleid niet meer bevoegd zou zijn dit te wijzigen. Van deze bevoegdheid heeft het college gebruik gemaakt toen zij de besluiten van 16 juli 1996 en 17 december 1996 vaststelde. Ook brengt het enkele feit dat die besluiten als nuancering respectievelijk als nadere uitwerking nuancering zijn aangeduid niet met zich dat het college daarin niet mocht afwijken van het volumebeleid zoals dat op 30 augustus 1994 was vastgesteld.

2.4.3.    Het besluit van 17 december 1996 houdt in dat aan maximaal 25 aanvragers vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een klassiek, dan wel historisch salon-passagiersvaartuig. De Afdeling is evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat dit beleid niet onredelijk kan worden geacht.

2.4.4.    Aan het standpunt dat de [naam passagiersvaartuig] geen klassieke salonboot is heeft het college ten grondslag gelegd het advies van de Commissie historische schepen van 21 oktober 2003 waarin staat dat de [naam passagiersvaartuig] meer als een verlengde moderne motorkruiser oogt dan als een salonboot. Dat dit advies anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zijn besluit op dit punt niet op dit advies had mogen baseren, is door [appellant B] niet aannemelijk gemaakt.

2.4.5.    De Afdeling onderschrijft eveneens het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vraag of wellicht beperkingen aan een vergunning kunnen worden verbonden eerst aan de orde komt wanneer aan de criteria voor verlening van de vergunning is voldaan. Hiervan is in dit geval geen sprake.

2.4.6.    Gelet op het bovenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zijn besluit om de exploitatievergunning te weigeren in bezwaar heeft kunnen handhaven.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voorzover aangevallen.

2.6.    Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

290.