Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200406947/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2000 heeft de gemeenteraad van Bemmel (thans Lingewaard), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2000, het bestemmingsplan "Woning Oude Kerkhof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406947/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2000 heeft de gemeenteraad van Bemmel (thans Lingewaard), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2000, het bestemmingsplan "Woning Oude Kerkhof" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 december 2000, RE2000.49266, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 5 december 2000 bij uitspraak van 5 december 2001, no. 200101136/1, geheel vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 november 2002, RE2001.116465, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 16 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2004, en [appellanten sub 2] bij brief van 16 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 6 december 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift zal worden uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2005, waar [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], en verweerder, vertegenwoordigd door H. Wassink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar namens de gemeenteraad, ing. T.H. Senger en mr. T.M. Akkermans, ambtenaren van de gemeente, en [partij] bijgestaan door mr. W. Kattouw, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben erop gewezen dat het goedkeuringsbesluit pas vanaf 8 juli 2004 ter inzage is gelegd, terwijl het al op 12 november 2002 is genomen.

De Afdeling overweegt dat eventuele onregelmatigheden die dateren van na het nemen van een besluit de rechtmatigheid van dat besluit op zich niet kunnen aantasten. De omstandigheid dat de in artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genoemde termijn voor de terinzagelegging van een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan niet in acht is genomen, kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Deze beroepsgrond faalt.

Standpunt appellanten

2.4.    [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan dat voorziet in de bouw van een vrijstaande woning aan het Oude Kerkhof in Bemmel en in een planologische regeling voor de ontsluitingsweg Oude Kerkhof.

[appellanten sub 2] wijzen erop dat de woning wordt gebouwd in het als beschermd dorpsgezicht aangewezen deel van de kern Bemmel. Zij stellen dat de woning afbreuk zal doen aan de karakteristieke stedenbouwkundige structuur ter plaatse, zoals die ook beschreven is in het rapport Historische dorpskern Bemmel van het Gelders Genootschap.

Voorts stellen beide appellanten dat de woning afbreuk zal doen aan het uitzicht vanuit hun woningen en de rust en privacy op hun percelen. De ontsluiting van de woning is naar de mening van appellanten niet goed geregeld.

Voorts stellen appellanten dat alternatieve locaties voor de bouw van een woning aanwezig zijn.

Het bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 5 december 2001, no. 200101136/1, overwogen dat de bouw van de woning past in het gemeentelijk beleid voor het beschermde dorpsgezicht. Voorts is verweerder van mening dat het plan niet zal leiden tot een ernstige aantasting van de privacy en de rust op de percelen van appellanten. De ontsluiting van de woning kan volgens verweerder plaatsvinden over het Oude Kerkhof.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Met het plan wordt beoogd de bouw van een vrijstaande woning ten zuiden van het perceel [locatie 1] te [plaats] mogelijk te maken. Aan het perceel waarop de woning is voorzien is de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Het Oude Kerkhof, de doodlopende ontsluitingsweg tussen dit perceel en de Molenwei, heeft de bestemming "Verkeersdoeleinden" gekregen.

2.6.2.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 december 2001, no. 200101136/1, over het besluit van verweerder van 5 december 2000 tot onthouding van goedkeuring aan het plan het volgende overwogen:

"2.4.    Verweerders achten het gebied rond het Oude Kerkhof van cultuurhistorische en monumentale waarde, waardoor de waardevolle bebouwing en open ruimten bescherming behoeven. Het toevoegen van bebouwing brengt volgens hen onaanvaardbare schade toe aan de hoge ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Hierdoor strijdt het bouwplan naar hun mening met de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid, zoals onder meer weergegeven in de concept-beleidsvisie "Beschermd dorpsgezicht Bemmel; Nederlands Hervormde Kerk en omgeving" (maart 2000). Verweerders hebben hierin aanleiding gezien aan het plan goedkeuring te onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. (…)

2.5.     De Afdeling overweegt dat in de concept-beleidsvisie onder meer is vermeld (p. 33) dat de ruimte rondom de kerk duidelijker begrensd dient te worden. Dit doel wordt gerealiseerd door het toevoegen van enkele woningen. Het gemeentebestuur heeft, gezien de passage op p. 33 en de kaart op p. 34 van de concept-beleidsvisie, uitdrukkelijk verwezen naar het thans voorliggende plan als gewenste bebouwingsontwikkeling. Hetgeen het plan mogelijk maakt, past dus volledig binnen de concept-beleidsvisie. Ook overigens is niet gebleken dat het plan niet in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders een ondeugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht".

2.6.3.    Na de bouw van de woning zal de weg Oude Kerkhof dienen ter ontsluiting van de woningen van appellanten en de nieuwe woning. Het deel van deze weg gelegen tussen de Molenwei en het perceel [locatie 2] [appellanten sub 1] is op 7 m2 na eigendom van de gemeente. De gemeente heeft met [appellanten sub 1] een overeenkomst gesloten tot aankoop van de hiervoor bedoelde 7 m2. Het tweede deel van de weg ter hoogte van [locatie 2] is eigendom van [appellanten sub 1]. Het derde deel van de weg ter hoogte van het perceel [locatie 1] ([appellanten sub 2]) is eigendom van de gemeente en grenst aan de bouwlocatie (perceel […]). Op het perceel van [appellanten sub 1] rust een erfdienstbaarheid van overpad ten behoeve van de ontsluiting van de percelen [locatie 1] en het perceel […].

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Gezien de uitspraak van 5 december 2001 heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouw van de woning niet in strijd is met het gemeentelijke beleid voor het beschermenswaardige dorpsgezicht van Bemmel. Verweerder heeft zich daarbij terecht gebaseerd op de concept-beleidsvisie "Beschermd dorpsgezicht Bemmel; Nederlands Hervormde Kerk en omgeving" (maart 2000). Het door appellanten genoemde rapport van het Gelders Genootschap is van eerdere datum en heeft als basis gediend voor de concept-beleidsvisie. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat de bouw van de woning een ernstige afbreuk zal doen aan de cultuurhistorische waarden of de stedenbouwkundige structuur ter plaatse.

De Afdeling overweegt voorts dat verweerder, gelet op de aan hem overgelegde stukken, in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de ontsluiting van de woning gerealiseerd kan worden. Het feit dat nog geen uitvoering is gegeven aan de overeenkomst tussen appellanten en de gemeente maakt dit niet anders. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de bocht in het Oude Kerkhof leidt tot een zodanige verkeersonveilige situatie, dat om die reden zou moeten worden gesteld dat het Oude Kerkhof niet geschikt zou zijn als ontsluiting van één extra woning.

Tussen de woning [locatie 2] en de bouwlocatie staat de woning [locatie 1]. De afstand tussen de woning [locatie 1] en het in het plan opgenomen bouwvlak voor de nieuwe woning bedraagt ongeveer negen meter. Gezien de situering en de afstand heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat het uitzicht vanaf en de privacy en de rust op de percelen van appellanten niet ernstig zullen worden aangetast.

Verder kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat het door appellanten gestelde over de perikelen rondom de verkoop van het perceel niet relevant is in deze procedure.

2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Verbeek

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

388.