Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200403957/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

j besluit van 2 april 2002, kenmerk DGWM/2002/774, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "IGAT B.V.", thans genaamd "Derde Merwedehaven BV", een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor de Afvalberging Derde Merwedehaven op het perceel Baanhoekweg 92a te Dordrecht, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie S, nummer 154. Dit besluit is op 21 mei 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403957/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Werkgroep Derde Merwedehaven", gevestigd te Sliedrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2002, kenmerk DGWM/2002/774, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "IGAT B.V.", thans genaamd "Derde Merwedehaven BV", een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor de Afvalberging Derde Merwedehaven op het perceel Baanhoekweg 92a te Dordrecht, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie S, nummer 154. Dit besluit is op 21 mei 2002 ter inzage gelegd.

Bij uitspraak van 17 december 2003, nr. 200203001/1, heeft de Afdeling dat besluit vernietigd, voorzover het betreft de voorschriften 5.13.1, 5.13.2, 5.14.1, 5.14.2, 5.15, 5.16, 5.22 en voorschrift 6.1 ten aanzien van immissiepunten 1 en 2, alsmede voorzover het de definities van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval in de begrippenlijst en bijlage 4 van de vergunning betreft en voorzover in de vergunning een voorschrift ontbreekt omtrent het stellen van financiële zekerheid.

Bij besluit van 22 maart 2004, kenmerk DGWM/2004/4148, heeft verweerder een nieuw besluit genomen. Dit besluit is op 13 april 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 december 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door L. van Andel en B.L.F. van Houwelingen, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman, ir. F.H. de Vries, L.P.M. Hertsig en M.W.J. Verstappen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door D.M.M. van Rijn, gemachtigde, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2.    Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder heeft verweerder onder meer voorschrift 6.1 aan de vergunning verbonden en daarin, voorzover thans van belang, bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van immissiepunt 1 niet meer mag bedragen dan 60 dB(A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

2.2.1.    Appellante betoogt dat het toegestane langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 60 dB(A) te hoog is, omdat het met de huidige stand van de techniek mogelijk is de bronsterkte van de achteruitrijsignalering van de vrachtwagens en werktuigen, die zich op het terrein van de inrichting bevinden, te beperken.

2.2.2.    Verweerder heeft ter invulling van de beoordelingsvrijheid voor het aspect geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Niet in geschil is dat de aard van de omgeving van de inrichting kan worden gekwalificeerd als een woonwijk in de stad. De daarvoor in de Handreiking genoemde richtwaarde voor het  langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode bedraagt 50 dB(A). Verweerder is van deze richtwaarde afgeweken en heeft in voorschrift 6.1. een geluidwaarde van 60 dB(A) toegestaan. Daarbij heeft hij zich met name  gebaseerd op het onderzoeksrapport van Oranjewoud dat "IGAT B.V" bij brief van 13 juli 2001, kenmerk 29721/jtvv/sh, aan verweerder heeft toegezonden. In dat rapport is na metingen van de piekgeluidniveaus van een zestal voertuigen met achteruitrijsignalering geconcludeerd dat het in de inrichting gebruikte materieel een gemiddeld bronvermogen heeft van 119,5 dB(A), inclusief achteruitrijsignaleringen. Gelet hierop en rekening houdend met een bedrijfsduur van 100%, heeft verweerder geconcludeerd dat moet worden uitgegaan van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 60 dB(A) bij imissiepunt 1.

    Volgens verweerder is vanwege de veiligheid van het personeel dat op het terrein van de inrichting werkzaam is beperking van de bronsterkte van de achteruitrijsignalering van de op het terrein aanwezige voertuigen niet mogelijk. Een geluidscherm acht verweerder vanuit een kostenoogpunt niet realistisch, gezien de benodigde afmetingen daarvan. Omdat het restaurant, waarbij imissiepunt 1 is gelegen, geen geluidgevoelige bestemming is, is naar het oordeel van verweerder sprake van een toelaatbare overschrijding van de richtwaarde.

2.2.3.    De Afdeling constateert dat bij de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van immissiepunt 1 is uitgegaan van een bronvermogenniveau van 119,5 dB(A), conform voormeld rapport van Oranjewoud. Het betreft hier een piekgeluidniveau. Volgens het deskundigenbericht kan dit geluidniveau niet worden gebruikt voor de berekening van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Voorts is volgens het deskundigenbericht geen rekening gehouden met de vereiste bedrijfsduurcorrectie en ligt het feitelijk veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau lager dan 60 dB(A).

2.2.4.    Gesteld noch gebleken is dat het deskundigenbericht onjuist is. De Afdeling concludeert daarom dat het door verweerder gehanteerde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 60 dB(A) is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Voorschrift 6.1 is daarmee op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door dat gebrek komt de Afdeling niet meer toe aan de beoordeling of voorschrift 6.1 zich verdraagt met de uitgangspunten van de Handreiking en of reductie van het geluid van de achteruitrijsignalering hier nodig en mogelijk is.

2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient, voorzover het voorschrift 6.1 betreft, te worden vernietigd.

2.4.    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 22 maart 2004, DGWM/2004/4148, voorzover het voorschrift 6.1 betreft;

III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Stolker

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

157-428.