Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200408586/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004, heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen het wijzigingsplan "bestemmingsplan Buitengebied 1984, wijziging t.b.v. een agrarisch bouwperceel aan de [locatie] [plaats]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408586/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004, heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen het wijzigingsplan "bestemmingsplan Buitengebied 1984, wijziging t.b.v. een agrarisch bouwperceel aan de [locatie] [plaats]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 augustus 2004, kenmerk RE2004.64825 beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 november 2004.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten. Dit is aan andere partijen toegezonden.

Bij brief van 5 januari 2005 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2005, waar appellanten vertegenwoordigd door mr. ing. T. Steenbeek, gemachtigde en het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen, vertegenwoordigd door drs. M.A. Spanjers, ambtenaar van de gemeente,

zijn verschenen. Tevens is [partij], vertegenwoordigd door ing. E. Stroobosscher daar gehoord. Verweerder is niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO), voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt appellanten

2.2.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Zij betogen dat het plan is gebaseerd op een onvoldoende objectief begrensde wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan "Buitengebied 1984". Daarnaast stellen zij dat het plan ten onrechte ter plaatse bebouwing voor een fruitteeltbedrijf mogelijk maakt, omdat dit aantasting van hun uitzicht en privacy, waardedaling van hun woningen en geluidoverlast door te verwachten toeneming van het aantal verkeersbewegingen met zich zal brengen. Bovendien past de in het plan voorziene bebouwing niet in het rustige bebouwingsbeeld van de bestaande lintbebouwing, aldus appellanten. Voorts betogen zij dat andere - uit bedrijfseconomisch oogpunt meer geschikte - plaatsen bestaan voor het fruitteeltbedrijf.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het wijzigingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Met het college van burgemeester en wethouders stelt hij zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het wijzigingsplan aan de voorwaarden van de wijzigingsbepalingen van het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" voorzover hier van belang is voldaan.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het plan is gebaseerd op artikel 7, zesde lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" en voorziet op de gronden met kadastraal nummer 1654, sectie H, in een agrarisch bouwperceel voor de vestiging van een fruitteeltbedrijf aan de [locatie] in [plaats].

2.4.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" is de op de kaart voor "Agrarisch gebied" aangewezen grond bestemd voor één of meer vormen van agrarisch grondgebruik.

Ingevolge artikel 7, zesde lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" voorzover hier van belang kan het college van burgemeester en wethouders, gehoord het advies van de Provinciale Dienst belast met agrarische aangelegenheden, met toepassing van artikel 11 van de WRO het plan wijzigen voorzover nog geen agrarische bouwpercelen zijn aangegeven naar aanleiding van een verzoek tot vestiging van een agrarisch bedrijf door aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel klasse A met een maximum oppervlak van 1 hectare waarop bebouwing mag worden opgericht onder gelijke voorwaarden als op reeds in het plan aangegeven agrarische bouwpercelen klasse A als bepaald in dit artikel om ter plaatse één of meer personen beroepsmatig de uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf mogelijk te maken, mits het agrarisch bouwperceel gesitueerd wordt buiten de begrenzing van het op de kaart aangegeven karakteristieke komgebied.

2.4.3.    Bij brief van 19 februari 2003 heeft [partij] bij het college van burgemeester en wethouders een verzoek ingediend tot vestiging van een fruitteeltbedrijf op het perceel met het kadastraal nummer […], sectie […], in [plaats].

Het in het plan voorziene bouwperceel is kleiner dan 1 hectare en ligt buiten genoemde karakteristieke komgronden.

In zijn advies inzake de toekenning van een nieuw agrarisch bouwperceel klasse A aan de [locatie] te [plaats] van 23 juli 2003 stelt de Dienst Ruimte, Economie en Welzijn van de provincie Gelderland dat het ter plaatse voorziene fruitteeltbedrijf gezien de aard en de omvang - ongeveer 24 hectare - een ruim volwaardig agrarisch bedrijf is met een arbeidsbehoefte van 2 volwaardige arbeidskrachten, zodat toekenning van een agrarisch bouwperceel klasse A uit landbouwkundig oogpunt te rechtvaardigen is.

2.4.4.    Het college van burgemeester en wethouders heeft zich op het standpunt gesteld dat het fruitteeltbedrijf past in het bouwlint met veel agrarische bedrijven in combinatie met burgerwoningen van de [locaties]. Tevens stelt het college dat de laad- en losactiviteiten op het fruitteeltbedrijf voor de voornamelijk in de bedrijfsloods te verrichten bedrijfsactiviteiten weinig geluidoverlast met zich zullen brengen.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

Het in het plan voorziene bouwperceel ligt op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied". Het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" maakt bebouwing op de gronden met deze bestemming anders dan na het toepassen van de in geding zijnde wijzigingsbevoegdheid niet mogelijk.

In artikel 7, zesde lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" is voldoende duidelijk bepaald in welke gevallen en onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders kan overgaan tot de aanwijzing van een agrarisch bouwperceel op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied".

Anders dan appellanten menen is het plan niet in strijd met artikel 11 van de WRO.

2.5.1.    Naast de toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden, heeft verweerder gelet op overweging 2.1. de taak om te bezien of het wijzigingsplan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, alsmede of het wijzigingsplan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

2.5.2.    Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel aan de [locatie] dat gelegen is tussen de burgerwoningen van appellanten aan dezelfde weg. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze woningen zich bevinden op een afstand van ongeveer 8 meter respectievelijk ongeveer 12 meter van het perceel waarop het fruitteeltbedrijf zal worden gevestigd. De afstand van het bouwvlak ten behoeve van de opslagloods van het fruitteeltbedrijf tot de woningen van appellanten bedraagt ongeveer 35 meter respectievelijk ongeveer 40 meter. De toegangsweg van het fruitteeltbedrijf loopt tussen de woningen van appellanten. Via deze weg zal fruit door middel van tractoren met aanhangers worden aan- en afgevoerd. In de loods zal fruit worden gesorteerd en voor korte tijd worden opgeslagen. De eigenaar van het bedrijf heeft ter zitting te kennen gegeven dat in de loods een koelinstallatie zal worden aangebracht. Noch uit het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meteren van 6 juni 2004 noch uit het bestreden besluit blijkt dat deze uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening van belang zijnde gegevens in de overwegingen zijn betrokken. Geen inzicht wordt gegeven in de frequentie van de vervoerbewegingen die het fruitteeltbedrijf met zich brengt en de mogelijke gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat van appellanten. Evenmin is aandacht besteed aan de mogelijke geluidhinder die een koelinstallatie voor het woon- en leefklimaat van appellanten zal hebben.

2.5.3.    Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Het beroep is in zoverre gegrond.                                Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met                 artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 10 augustus 2004, RE2004.64825;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

12-447.