Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200405311/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2004:AR8793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft - voorzover hier van belang - de burgemeester van Hof van Twente (hierna: de burgemeester) aan de vereniging Diepenheimse Schutterij (hierna: de Schutterij) een evenementenvergunning verleend voor het houden van het Schuttersfeest Diepenheim van 27 september 2002 tot en met 30 september 2002 (hierna: het Schuttersfeest 2002) op een terrein aan de Borculoseweg te Diepenheim (hierna: het terrein) en heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) - voorzover hier van belang - aan de Schutterij ontheffing verleend van artikel 4.1.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Hof van Twente (hierna: de APV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 80 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
JM 2005/67 met annotatie van Wiggers
OGR-Updates.nl 1000949
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405311/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellant sub 1],

2.    [appellant sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 mei 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

1.    het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

2.    de burgemeester van Hof van Twente.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft - voorzover hier van belang - de burgemeester van Hof van Twente (hierna: de burgemeester) aan de vereniging Diepenheimse Schutterij (hierna: de Schutterij) een evenementenvergunning verleend voor het houden van het Schuttersfeest Diepenheim van 27 september 2002 tot en met 30 september 2002 (hierna: het Schuttersfeest 2002) op een terrein aan de Borculoseweg te Diepenheim (hierna: het terrein) en heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) - voorzover hier van belang - aan de Schutterij ontheffing verleend van artikel 4.1.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Hof van Twente (hierna: de APV).

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het college het daartegen door onder meer appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, voorzover het is gericht tegen het vermeend gedogen van strijdig ruimtelijk gebruik en is het bezwaar voor het overige door het college en de burgemeester ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 juni 2003 - voorzover hier van belang - heeft de burgemeester aan de Schutterij een evenementenvergunning verleend voor het houden van het Schuttersfeest Diepenheim van 26 september 2003 tot en met 28 september 2003 (hierna: het Schuttersfeest 2003) op voornoemd terrein aan de Borculoseweg en heeft het college - voorzover hier van belang - aan de Schutterij ontheffing verleend van artikel 4.1.7 van de APV.

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het terrein aan de Borculoseweg voor het Schuttersfeest 2003.

Bij besluit van 14 oktober 2003 hebben het college en de burgemeester het tegen de besluiten van 10 juni 2003 door onder meer appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) de tegen de besluiten van 25 februari 2003 en 14 oktober 2003 door onder meer appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 25 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar appellanten in persoon, de burgemeester en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Ouwehand, werkzaam bij de gemeente, en de Schutterij, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [voorzitter], [secretaris], en [penningmeester], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

       Ingevolge artikel 2.2.2, tweede lid, van de APV kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

a de openbare orde;

b het voorkomen of beperken van overlast;

c de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

d de zedelijkheid of gezondheid.

       Ingevolge artikel 4.1.7, eerste lid, van de APV is het verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

       Ingevolge artikel 4.1.7, tweede lid, van de APV kan het college van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

       Ingevolge artikel 4.1.7, derde lid, van de APV geldt het in het eerste lid bepaalde niet voorzover artikel 2.4.16 van de APV, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet Geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn.

2.1.1.    De Afdeling stelt voorop dat het in de artikelen 2.2.2 en 4.1.7 van de APV neergelegde vergunnings- respectievelijk ontheffingsstelsel strekt ter bescherming van specifiek genoemde belangen. Dat betekent dat, anders dan appellanten kennelijk menen, de door hen gestelde strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan geen grond kan opleveren de vergunning respectievelijk de ontheffing te weigeren.

2.1.2.    De rechtbank heeft terecht onderkend dat een evenement als het onderhavige (geluids)overlast met zich brengt. Evenzeer terecht heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de vergunningen voorschriften bevatten ter inperking van de overlast voor omwonenden, zoals ten aanzien van de opstelling van het podium, de luidsprekers en de sluitingstijden van de feesttent, die op vrijdag- en zaterdagnacht om 02.30 uur en op zondagnacht om 00.30 uur moet zijn gesloten. Dat desalniettemin nog sprake is van overlast waarvan in redelijkheid van appellanten niet gevergd kan worden dat zij deze gedurende drie dagen per jaar verdragen, is door hen onvoldoende aannemelijk gemaakt.

   Op het lawaai dat verband houdt met het vertrek van bezoekers van het Schuttersfeest ziet artikel 4.1.7. van de APV niet. Dat lawaai wordt immers niet voortgebracht door toestellen of geluidsapparaten of daarmee op één lijn te stellen handelingen. Wat de op grond van artikel 2.2.2. van de APV verleende vergunning betreft, is niet aannemelijk gemaakt dat van vertrekkende bezoekers in die mate overlast valt te verwachten, dat de vergunning om die reden niet had mogen worden verleend.

2.1.3.    Het betoog van appellanten dat het college in een gelijkliggende situatie een ander standpunt heeft ingenomen faalt, reeds nu appellanten in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting hierop een beroep hebben gedaan en niet valt in te zien dat zij niet eerder in de gelegenheid zijn geweest dit argument naar voren te brengen.

2.1.4.    Het hoger beroep, voorzover gericht tegen voornoemde ontheffingen en vergunningen, faalt mitsdien.

2.2.        Inzake de bij besluit van 14 oktober 2003 gehandhaafde weigering van het college om handhavend op te treden tegen het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003 overweegt de Afdeling als volgt.

2.2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening" rust op de betrokken grond de bestemming "Agrarisch kernrandgebied".

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder 1, van de gebruiksvoorschriften is het verboden de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in de bestemming bepaalde.

2.2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003 in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college daartegen ten onrechte niet handhavend is opgetreden.

2.2.3.    Dit betoog slaagt. Het terrein wordt jaarlijks gedurende drie dagen intensief gebruikt voor een Schuttersfeest waarop duizenden bezoekers afkomen. Daarnaast is voor het opbouwen van de kermis en de feesttent ten minste een week benodigd en voor het afbreken ten minste enkele dagen. Dit van de agrarische bestemming afwijkende gebruik van het terrein is niet zodanig kortdurend en incidenteel dat de bestemmingsplanvoorschriften zich daartegen niet verzetten, zodat van met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het terrein sprake is.

   De rechtbank is derhalve ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003 niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2.4.    Nu is gehandeld in strijd met voornoemd bestemmingsplan kon het college terzake handhavend optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich onder meer voordoen indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Hiervan is, anders dan het college meent, in dit geval niet gebleken.

   De rechtbank is derhalve ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003.

2.3.        Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover het beroep dat is  geregistreerd onder no. 03/995 GEMWT AG1 A tegen het besluit van 14 oktober 2003, voorzover strekkende tot handhaving door het college van de weigering om handhavend op te treden tegen het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling dat beroep van appellanten in zoverre alsnog gegrond verklaren en het besluit van 14 oktober 2003 vernietigen wegens strijd met het bestemmingsplan. Het college dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen. Voor het overige dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd.

2.4.        Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 mei 2004, 03/995 GEMWT AG1 A, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2003, een en ander voorzover dat besluit strekt tot handhaving door het college van de weigering om handhavend op te treden tegen het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003, ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 14 oktober 2003, kenmerk 5419 (03), voorzover daarbij de bezwaren van appellanten tegen het gebruik van het terrein voor het Schuttersfeest 2003 ongegrond zijn verklaard;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 826,58, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het gehele bedrag dient door de gemeente Hof van Twente aan appellanten te worden betaald onder vermelding van het zaaknummer;

VII.    gelast dat de gemeente Hof van Twente aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 321,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

45-450.