Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200409907/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam (hierna: het college) het verzoek van appellant van 4 maart 2003 om een vergunning voor het innemen van een standplaats met een marktkraam aan de Blokweerschekade te Alblasserdam, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409907/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam (hierna: het college) het verzoek van appellant van 4 maart 2003 om een vergunning voor het innemen van een standplaats met een marktkraam aan de Blokweerschekade te Alblasserdam, afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 maart 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze zijn in kopie aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, gemachtigde, hoofd van de afdeling Bestuurszaken van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Alblasserdam (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water danwel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

a.    met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, danwel diensten aan te bieden;

b.    anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

   Ingevolge artikel 5.2.3, zesde lid, van de APV kan een vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd:

(…)

b.    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c.    in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

(…)

2.2.    Blijkens zijn aanvraag wenst appellant een standplaats in te nemen in het molengebied Kinderdijk voor de verkoop van souvenirs, ijs, frisdranken, versnaperingen, popcorn, suikerspin, patat frites, snacks en vis, alsmede voor het maken van foto's in klederdracht. Voor de verkoopactiviteiten wenst hij gebruik te maken van een marktkraam, voor het maken van foto's in klederdracht van een klein kledingrek en een printer.

2.3.    Het college heeft bij het bestreden besluit aan zijn weigering ten grondslag gelegd het voorkomen van geur-, afval- en stankoverlast, met welke overlast bovendien afbreuk zal worden gedaan aan het representatieve karakter van het molengebied, en voorts het beleid om in het gebied, dat de bestemming "Beschermd Natuurgebied" heeft en vanwege de bekende negentien molens met bijbehorende waterstaatkundige werken is opgenomen op de werelderfgoedlijst van de Unesco, geen wezensvreemde activiteiten toe te staan die de uitstraling en rust van het gebied aantasten.

2.4.    Het college komt bij het nemen van een besluit als hier in het geding een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om de bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een zodanig besluit terughoudend moeten opstellen.

   Gelet hierop is de rechtbank terecht nagegaan of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het college niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

   De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering van de standplaatsvergunning heeft kunnen komen en sluit zich aan bij de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Het betoog van appellant dat de door het college genoemde landschappelijke en cultuurhistorische belangen in andere wettelijke regelingen bescherming vinden, brengt daarin geen verandering, nu het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving een belang is dat het college, gelet op artikel 5.2.3, zesde lid, aanhef en onder c, van de APV aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De omstandigheid dat appellant blijkens zijn hogerberoepschrift van mening is dat ter plekke geen sprake is van een bijzondere cultuurhistorische waarde en dat, mocht deze wel aanwezig zijn, daarop door hem met zijn kleine, onopvallend geplaatste kraam die bovendien slechts in de helft van het jaar (het seizoen) wordt betrokken, geen inbreuk wordt gemaakt, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Ook de omstandigheid dat appellant een andere mening heeft dan het college over de overlast die zijn activiteiten zouden veroorzaken en over de weging van de door het college genoemde belangen ten opzichte van zijn persoonlijke belangen en de, naar hij stelt, aanwezige belangen van bestrijding van de werkloosheid en ondersteuning van het economisch beleid van de regering, maakt niet dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven over het besluit van het college.

   De door appellant in hoger beroep naar voren gebrachte omstandigheid dat de rechtbank spreekt over het innemen van een standplaats met een marktkraam met een kledingrek in plaats van over het innemen van een standplaats met een marktkraam faalt, omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank is gekomen. Ditzelfde geldt voor hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003 in zaak no. 200203085/1, waaraan een verzoek van appellant ten grondslag lag om in hetzelfde gebied een standplaats in te nemen met een verkoopwagen, reeds omdat die uitspraak onherroepelijk is.

   Ten aanzien van appellants stelling dat hij min of meer noodgedwongen zonder advocaat procedeert en dus in een nadelige positie verkeert, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is en door appellant ook niet aannemelijk is gemaakt dat van een nadelige positie sprake is.

   Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht over de Wet herverdeling wegenbeheer, de Wegenverordening Zuid-Holland, de onbevoegdheid van het college destijds om te beslissen op appellants aanvraag van 1995 of om die aanvraag aan te houden, het niet doorsturen van die aanvraag naar de provincie, het Hoogheemraadschap als eigenaar van de grond en de verhouding tussen het Hoogheemraadschap en het college, laat de Afdeling buiten beschouwing, nu dit het geschil, dat betrekking heeft op het op de APV gegronde besluit van het college naar aanleiding van appellants aanvraag van maart 2003, te buiten gaat. Om dezelfde reden verbindt de Afdeling geen conclusies aan het feit dat de rechtbank, zoals appellant betoogt, niet is ingegaan op de vraag of het Hoogheemraadschap dan wel het college in deze kwestie het hogere bestuursorgaan is en zal ook de Afdeling, anders dan appellant heeft verzocht, hierover geen uitspraak doen. Ook het verzoek van appellant om een uitspraak te doen over het aanwijzen van hem als eerste gegadigde voor het geval de gemeente in de toekomst, bij gewijzigd beleid, wel zal toestaan dat de door hem aangevraagde activiteiten zullen mogen worden verricht, gaat het kader van het geschil te buiten.

   Hetgeen appellant verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De Afdeling noemt in dit verband onder meer het betoog van appellant dat de Blokweerschekade niet tot het eigenlijke molencomplex behoort en dat niet is gebleken en door de gemeente nog steeds niet is bewezen dat het gehele molengebied als zodanig op de Unesco-lijst staat, de door appellant genoemde redenen voor de gemeente tot plaatsing van de molens op die lijst en de stelling van appellant dat de gemeente gedoogt dat auto's van sponsors van het onderhoud van de Wipmolen ter plaatse staan geparkeerd, hetgeen volgens appellant ontsierend is.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Broodman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

204.