Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200405158/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L) (hierna: het college) geweigerd om appellant vrijstelling te verlenen op basis van artikel 11, lid B, sub 2.3 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] als kampeerterrein en tevens geweigerd hem vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) voor het plaatsen van ten hoogste 10 kampeerplaatsen op dit perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/4187 met annotatie van E. Jager
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405158/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L) (hierna: het college) geweigerd om appellant vrijstelling te verlenen op basis van artikel 11, lid B, sub 2.3 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] als kampeerterrein en tevens geweigerd hem vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) voor het plaatsen van ten hoogste 10 kampeerplaatsen op dit perceel.

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 23 juli 2002 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 22 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. F.A. Dronkers, advocaat te Roermond, en drs. E. Tuunter, werkzaam bij de Stichting Recreatie, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.L. Cortenbach, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van het college dat het door appellant op 22 februari 2005 ingediende rapport van drs. E. Tuunter niet bij de beoordeling van het hoger beroep kan worden betrokken, omdat appellant hiermee te laat is en het college het rapport niet bij de beslissing op bezwaar heeft kunnen betrekken, faalt, nu dit rapport slechts een nadere onderbouwing omvat van eerder door appellant ingenomen stellingen.

2.2.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wor kunnen burgemeester en wethouders van het verbod, bedoeld in het eerste lid, vrijstelling of ontheffing verlenen voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wor kan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, slechts worden verleend:

a. indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

2.3.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel van appellant de bestemming "Agrarisch bouwblok: Ab". Deze bestemming voorziet niet in de mogelijkheid de grond als kampeerterrein te gebruiken.

    In artikel 11, lid B, onder 2.3 van het bestemmingsplan is vermeld dat vrijstelling voor het gebruik van de grond als kampeerterrein alleen wordt verleend indien wordt voldaan aan de regelgeving in de Wor en aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

2.4.    Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat een toename van de recreatieve druk op het gebied op de lange termijn leidt tot een onevenredige aantasting van het gebied en dat het creëren van wederom een minicamping sluipenderwijs de kwaliteit van het gebied nadelig zal beïnvloeden. Hiertoe acht het college onder meer redengevend dat het gebied deel uitmaakt van de ecologische ontwikkelingszone en is aangewezen als een stiltegebied, dat de toename van het aantal kampeereenheden in de omgeving ten koste kan gaan van het woongenot van direct-omwonenden en dat de omstandigheid dat op de minicamping ’s nachts geen toezicht is ten koste zou kunnen gaan van de persoonlijke veiligheid van de campinggasten.

2.5.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de te beschermen natuurlijke waarden en belangen in het gebied heeft kunnen laten prevaleren boven het gestelde doch op geen enkele wijze aannemelijk gemaakte zwaarwegend economisch belang van appellant bij het realiseren van de gevraagde kampeerplaatsen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de stukken, alleszins aannemelijk is dat in de directe omgeving van het perceel van appellant sprake is van kwetsbare natuurlijke waarden en belangen die bescherming behoeven, nu dit perceel is gelegen binnen een gebied dat is aangeduid als bos- en/of natuurgebied, valt onder de Provinciale Ecologische Structuur en is aangewezen als stiltegebied.

2.6.    Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat weliswaar zowel bij de aanvraag ten behoeve van [minicamping] als bij die van appellant dezelfde natuurbelangen in het geding zijn, maar dat desondanks niet kan worden gesproken van gelijke gevallen gegeven het feit dat [minicamping] al geruime tijd vóór het totstandkomen van de Beleidsnota openluchtrecreatie van december 1996 bij besluit van 19 september 1989 op basis van de Kampeerwet een vergunning heeft verkregen voor het hebben van een kampeerterrein van maximaal

5 kampeereenheden. Daar komt bij dat in de gemeentelijke beleidsnota betreffende het in geding zijnde gebied is opgenomen dat de gemeente geen medewerking zal verlenen aan nieuwvestiging van minicampings en dat de aanvraag van [minicamping], die niet zag op nieuwvestiging, eerder is ingediend dan die van appellant, wiens aanvraag wel zag op nieuwvestiging.  

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Zwemstra

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

91-419.