Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200407712/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2004, kenmerk 46-2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting De Waterakkers" een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zwem-, sport- en recreatiecentrum met restaurant te Heemskerk, kadastraal bekend gemeente Heemskerk, sectie D, nummers 7002, 8802, 8803 en 9543. Dit besluit is op 11 augustus 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2004, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407712/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst IJmond,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2004, kenmerk 46-2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting De Waterakkers" een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zwem-, sport- en recreatiecentrum met restaurant te Heemskerk, kadastraal bekend gemeente Heemskerk, sectie D, nummers 7002, 8802, 8803 en 9543. Dit besluit is op 11 augustus 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2005, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.A. Warmenhoven, R. Butter en J. Vloo, ambtenaren van de milieudienst, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geding heeft betrekking op het zwem-, sport- en recreatiecentrum "De Waterakkers", dat bestaat uit onder andere een binnen- en buitenzwembad, sportzalen, een sauna-accommodatie en een restaurant.

   Niet in geschil is dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, sub 3, van dit Besluit, niet van toepassing is en dat derhalve voor de onderhavige inrichting een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellant betoogt dat het stemgeluid van bezoekers van het buitenzwembad dient te worden meegenomen bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting. In dat geval worden naar zijn mening de bij het bestreden besluit gestelde geluidnormen overschreden, te meer omdat het stemgeluid wordt weerkaatst door de gevels en buitenschermen van dit zwembad. Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij met name overlast ondervindt in de avonduren. Het door verweerder aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.9, inhoudende dat de vergunninghouder toezicht moet uitoefenen op de gedragingen van klanten in het uitzwembad, en indien noodzakelijk regelend moet optreden, is volgens appellant niet afdoende.

2.3.1.    Verweerder stelt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.9 toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van hinder vanwege het stemgeluid van bezoekers van het buitenzwembad. Bovendien dient volgens hem het stemgeluid van deze bezoekers conform de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening buiten beschouwing te worden gelaten. Een door hem uitgevoerde meting heeft aangetoond dat ook indien het stemgeluid wordt meegenomen bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de onderhavige inrichting, aan de bij het bestreden besluit gestelde geluidnormen kan worden voldaan, aldus verweerder.

2.3.2.    De Afdeling overweegt dat uit de door verweerder genoemde, op een zaterdagavond uitgevoerde, geluidmeting is gebleken dat ook indien rekening wordt gehouden met het stemgeluid van bezoekers van het buitenzwembad, wordt voldaan aan de in de vergunning opgenomen geluidnormen. Appellant heeft de uitkomst van deze meting niet bestreden. Voorts is de Afdeling niet gebleken van de onjuistheid daarvan. Gelet op het vorenstaande kan, nog daargelaten de vraag of het stemgeluid in het onderhavige geval dient te worden betrokken bij de beoordeling van de geluidbelasting, het beroep van appellant in zoverre niet slagen.

2.4.    Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijke cumulatie van de geluidhinder ten gevolge van verschillende aan de Kerkweg gelegen inrichtingen, hetgeen zou kunnen leiden tot een overschrijding van de geluidgrenswaarden. Hij is van mening dat hierom aan de afzonderlijke inrichtingen lagere geluidgrenswaarden moeten worden opgelegd.

2.4.1.    Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de activiteiten waarvan binnen de door appellant bedoelde inrichtingen sprake is, een dusdanig laag geluidniveau tot gevolg hebben dat van cumulatie geen sprake zal zijn. Verder heeft hij erop gewezen dat vanwege voornoemde inrichtingen aan de voor hen geldende geluidnormen wordt voldaan.

2.4.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de omgeving van de onderhavige inrichting aan de Kerkweg een manege en een ander sportcentrum zijn gelegen. Deze inrichtingen omvatten mede horecavoorzieningen met terrassen. Ter zitting is gebleken dat appellant met name geluidoverlast ondervindt van de bezoekers van het terras behorend bij de tennisbanen van laatstgenoemd sportcentrum.

   De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd, en ook overigens, geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit vanwege cumulatie van geluid, voorzover zich dit al zal voordoen in het onderhavige geval, niet in stand kan blijven. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de onderhavige vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat vanwege de onderhavige inrichting wordt voldaan aan de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden. Voorzover appellant heeft betoogd hinder te ondervinden van andere inrichtingen dan de onderhavige, merkt de Afdeling op dat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de beoordeling van het bestreden besluit, zodat dit reeds om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die verweerder aan de desbetreffende inrichtingen heeft opgelegd. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.5.    Appellant betoogt verder geluidoverlast te ondervinden van het pannenkoekenrestaurant, omdat de ramen en deuren in de zomermaanden niet gesloten worden gehouden. Volgens hem vindt er geen controle en handhaving plaats.

2.5.1.    Verweerder is van mening dat deze grond van appellant geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de bij het bestreden besluit verleende vergunning en reeds hierom niet kan slagen. Voorts heeft hij gesteld dat in de representatieve bedrijfssituatie uitsluitend achtergrondmuziek ten gehore wordt gebracht, zodat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd. In geval van bijzondere activiteiten dienen ramen en deuren altijd gesloten te worden gehouden, aldus verweerder.

2.5.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat, zoals verweerder heeft gesteld, in het pannenkoekenrestaurant bij reguliere activiteiten uitsluitend achtergrondmuziek ten gehore wordt gebracht. Ingevolge voorschrift 3.1.7 dienen de ramen en deuren van dit restaurant in dat geval na 23.00 uur gesloten te worden gehouden, behoudens voor het doorlaten van personen of goederen. Verder is in voorschrift 3.1.6 voor bijzondere activiteiten - blijkens het verhandelde ter zitting betreft het feesten en partijen - een ontheffingsmogelijkheid van de normaal geldende geluidnormen voor maximaal twaalf maal per jaar opgenomen. In geval van dergelijke bijzondere activiteiten dienen ramen en deuren ingevolge voorschrift 3.1.6 te allen tijde gesloten te worden gehouden, behoudens voor het doorlaten van personen of goederen.

   Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege het pannenkoekenrestaurant niet hoeft te worden gevreesd. Voorzover appellant betoogt dat geen controle en handhaving plaatsvinden overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005.

373.