Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
200406976/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2004, kenmerk 35-2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 2 vergunning verleend voor het veranderen van een varkensveiling, exportplaats voor biggen, een blancheerbedrijf voor champignons, een reinigings- en ontsmettingsplaats en een productiebedrijf voor groentekroketten, op het perceel Statenweg 24 te Venhorst, kadastraal bekend gemeente Boekel, sectie D, nummers 2180, 2274, 2979, 2980 en 3113. Dit besluit is op 14 juli 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406976/1.

Datum uitspraak: 13 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Animo Agribusiness B.V.", gevestigd te Venhorst,

3.    [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boekel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2004, kenmerk 35-2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 2 vergunning verleend voor het veranderen van een varkensveiling, exportplaats voor biggen, een blancheerbedrijf voor champignons, een reinigings- en ontsmettingsplaats en een productiebedrijf voor groentekroketten, op het perceel Statenweg 24 te Venhorst, kadastraal bekend gemeente Boekel, sectie D, nummers 2180, 2274, 2979, 2980 en 3113. Dit besluit is op 14 juli 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 19 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2004, appellante sub 2 bij brief van 20 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, en appellanten sub 3 bij brief van 21 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. Appellante sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 september 2004. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 22 september 2004.

Bij brief van 17 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 2 en appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2005, waar van [een van de appellanten sub 1], bijgestaan door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, appellante sub 2, vertegenwoordigd door A. Wassenberg en mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en verweerder, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Keijlen en E.C.J.P. Vlemminx, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft betrekking op de realisering van een opslag voor met mest vervuild zaagsel, de plaatsing van een weegbrug en een kantoorunit, de lozing van het bedrijfsafvalwater op de bodem in plaats van op het oppervlaktewater en de aanpassing van de voor de inrichting vigerende geluidvoorschriften.

   Voor de inrichting is eerder op 2 april 2002 een revisievergunning en op 27 mei 2003 een veranderingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk is voorzover het de gronden betreft inzake het verlangen van een aanvraag om een revisievergunning en de deugdelijkheid van de geluidberekeningen.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond inzake de deugdelijkheid van de geluidberekeningen wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin is aangevoerd dat de geluidvoorschriften niet toereikend zijn en de bedrijfsactiviteiten met name tussen 22.00 en 7.00 uur tot aanzienlijke geluidoverlast zullen leiden.

   Appellanten sub 3 hebben de grond inzake het verlangen van een aanvraag om een revisievergunning echter niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk is voorzover het de grond betreft inzake het verlangen van een aanvraag om een revisievergunning.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4.    Appellanten sub 1 hebben betoogd dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het piekniveau niet toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen.

2.4.1.    Bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder heeft verweerder de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - hetgeen het geval is in de gemeente Boekel - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden van hoofdstuk 4 van de Handreiking. De in dit hoofdstuk vermelde richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en worden als uitgangspunt gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Overschrijding van deze richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

   Ten aanzien van de grenswaarden van de maximale geluidniveaus worden in de Handreiking grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode als ten hoogste aanvaardbaar geacht.

2.4.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het piekniveau toereikend zijn, nu deze zijn gerelateerd aan de geluidbelasting op de gevel van woningen van derden die wordt veroorzaakt door de 67 vervoersbewegingen die volgens de bij de revisievergunning van 2 april 2002 behorende akoestische rapporten dagelijks op het terrein van de inrichting plaatsvinden.

2.4.3.    Ingevolge voorschrift 5 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de rekenpunten zoals vermeld in de akoestische rapporten behorende bij de revisievergunning van 2 april 2002, niet meer bedragen dan:

Rekenpunt

(*)    Dagperiode dB(A) (7.00 tot 19.00 uur)    Avondperiode dB(A) (19.00 tot 23.00 uur)    Nachtperiode dB(A) (23.00 tot 7.00 uur)    Etmaalwaarde dB(A)

1    49,4    46,9    43,1    53,1

2    51,5    50,1    46,3    56,3

3    53,2    51,0    47,4    57,4

4    47,3    40,6    38,6    48,6

5    62,8    46,4    46,0    63,0

6    48,6    42,5    39,6    49,6

7    47,0    41,8    39,0    49,0

2.4.4.    Ingevolge voorschrift 6 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de rekenpunten zoals vermeld in de akoestische rapporten behorende bij de revisievergunning van 2 april 2002, niet meer bedragen dan:

Rekenpunt

(*)    Dagperiode dB(A) (7.00 tot 19.00 uur)    Avondperiode +5 dB(A) (19.00 tot 23.00 uur)    Nachtperiode + 10dB(A) (23.00 tot 7.00 uur)

1    75,1    78,0    83,0

2    75,4    78,3    83,3

3    76,0    78,8    83,8

4    67,2    70,0    75,0

5    66,6    65,0    70,0

6    63,5    67,2    72,2

7    60,4    64,5    69,5

2.4.5.    In de vigerende onherroepelijke revisievergunning van 2 april 2000 is bepaald dat het aantal vervoersbewegingen niet meer mag bedragen dan in totaal 37 stuks per dag. De bij het bestreden besluit verleende vergunning voorziet in een toename van het aantal vervoersbewegingen, nu op grond van deze vergunning maximaal 67 vervoersbewegingen per dag mogen plaatsvinden. Deze toename kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op de bestaande rechten, aangezien met de beschermende werking van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer slechts wordt beoogd de bestaande bedrijfsvoering, voorzover door (een) vergunning(en) gedekt, te beschermen. De omstandigheid dat in de revisievergunning van 2 april 2000 destijds abusievelijk een te laag aantal vervoersbewegingen is opgenomen, zoals door appellante sub 2 en verweerder is gesteld, maakt dit niet anders, nu de revisievergunning onherroepelijk is geworden. Verweerder heeft verder niet aan de hand van de in de Handreiking opgenomen systematiek van richt- en grenswaarden beoordeeld of de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het piekniveau toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

   Gezien het vorenstaande kan de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig en de daarin neergelegde motivering niet toereikend worden geacht. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    De beroepen, voorzover ontvankelijk, zijn gegrond. Nu het aspect geluid bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 en appellante sub 2 te worden veroordeeld. Van proceskosten gemaakt door appellanten sub 3 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk voorzover het de grond betreft inzake het verlangen van een aanvraag om een revisievergunning;

II.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 geheel en dat van appellanten sub 3 voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boekel van 29 juni 2004, kenmerk 35-2003;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boekel in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Boekel te worden betaald aan respectievelijk appellanten sub 1 en appellante sub 2;

V.    gelast dat de gemeente Boekel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 136,00 voor appellanten sub 1, € 273,00 voor appellante sub 2 en € 136,00 voor appellanten sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005

159-399.