Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200404750/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld het uitwerkingsplan "De Eilanden-West" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Wet op de Ruimtelijke Ordening 30
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/689
JOM 2007/342
OGR-Updates.nl 1000970
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404750/1.

Datum uitspraak: 6 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Barneveld,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld het uitwerkingsplan "De Eilanden-West" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 april 2004, no. RE2004.14106, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 juli 2004 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ir. P.S. Rijzebol en E.M.H.A. Broeksteeg, ambtenaren van de provincie, is verschenen. Voorts zijn daar gehoord namens het college van burgemeester en wethouders van Barneveld, ing. A. Bosveld en G. Rekker, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Het toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.2.    Appellant heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan "De Eilanden-West" (hierna: het uitwerkingsplan). Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitwerkingsplan in strijd is met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan "De Burgt I" (hierna: het bestemmingsplan), die aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggen. In dit verband betoogt appellant onder meer dat het aantal woningen waarin wordt voorzien in het uitwerkingsplan, hoger is dan in het bestemmingsplan is opgenomen.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het uitwerkingsplan niet in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan, noch met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft aan het uitwerkingsplan goedkeuring verleend.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen feiten.

2.4.1.    Het voorliggende plan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan, dat de gemeenteraad van Barneveld op 30 maart 1999 heeft vastgesteld en verweerder bij zijn besluit van 19 oktober 1999 gedeeltelijk heeft goedgekeurd. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de woonwijk de Burgt en omvat de buurten de Tuinen, de Beekakkers, de Burgthoven en de Beekrand.

2.4.2.    Ingevolge artikel 6 van de voorschriften van het bestemmingsplan moet het college van burgemeester en wethouders het plan, voorzover het de gronden betreft met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden" uitwerken en dient het daarbij onder andere de beschrijving in hoofdlijnen, zoals vervat in artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan, in acht te nemen.

2.4.3.    Artikel 5, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan bepaalt dat er wordt gestreefd naar de bouw van 970 woningen in het plangebied "De Burgt I".

Artikel 5, tweede lid, onder b, van de voorschriften bepaalt dat het plangebied "De Burgt I" wordt opgedeeld in een aantal buurten als opgenomen in de kaartbijlage "overzicht buurten" en dat de volgende aantallen woningen in de verschillende buurten gebouwd zullen worden:

1) de Beekakkers        circa 345 woningen;

2) de Tuinen             circa 365 woningen;

3) de Burgthoven         circa 110 woningen;

4) de Beekrand         circa 150 woningen;

   Totaal                          circa  970 woningen.

2.4.4.    Bij zijn besluit van 19 oktober 1999, no. RE1999.39102, heeft verweerder goedkeuring onthouden aan een deel van de bestemming "Uit te werken woondoeleinden" van het bestemmingsplan om de reden dat dit deel gelegen was binnen de hindercirkel van de veehouderij aan de [locatie] te Barneveld. Dit deel maakt onder meer deel uit van de buurt de Beekrand.

2.4.5.    Het uitwerkingsplan heeft betrekking op de buurt de Beekrand, met uitzondering van het gebied waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden. Het omvat een gebied van 4,7 hectare dat wordt begrensd door de Traa, de Beekzone, de Woudseweg en de Boog. Het uitwerkingsplan voorziet onder meer in de bouw van 128 woningen.

2.4.6.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gronden van het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden thans toch voor woningbouw bestemd kunnen worden, aangezien de veehouderij inmiddels is gestaakt. Met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zullen op die gronden 48 woningen worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de gemeenteraad gesteld dat voor die gronden geen plan als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zal worden vestgesteld.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Op grond van de uitwerkingsregels mogen in de buurt de Beekrand circa 150 woningen worden gebouwd. Het aantal van circa 150 woningen heeft betrekking op de gehele buurt de Beekrand. Het uitwerkingsplan omvat slechts een deel van deze buurt. Bij de beoordeling of aan de uitwerkingsregels is voldaan moet met deze omstandigheid rekening worden gehouden. De gronden waaraan verweerder bij het bestemmingsplan goedkeuring heeft onthouden vormen een wezenlijk deel van de buurt de Beekrand en kunnen daar ook niet los van worden gezien. Zolang geen plan als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor die gronden is vastgesteld kan niet worden beoordeeld of aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan wordt voldaan.

Gelet hierop verzet het systeem van de wet, zoals neergelegd in artikel 11 en artikel 30 van de Wet op de ruimtelijke Ordening, zich ertegen dat een plan met toepassing van artikel 11 wordt vastgesteld voordat met betrekking tot het deel van het bestemmingsplan waaraan goedkeuring is onthouden aan de verplichting ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is voldaan.  

2.5.1.    Gelet op het vorenstaande is het plan in strijd met artikel 11 en artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vastgesteld. Door het plan niettemin goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is reeds hierom gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het uitwerkingsplan.

Proceskosten

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 27 april 2004, no. RE2004.14106;

III.    onthoudt goedkeuring aan het uitwerkingsplan "De Eilanden-West";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II. vermelde besluit;

V.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005

12-449.