Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200407363/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2002 heeft het college van burgemeeester en wethouders van Eibergen (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om bouwvergunning voor een erfafscheiding en een overkapping op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407363/1.

Datum uitspraak: 6 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeeester en wethouders van Eibergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2002 heeft het college van burgemeeester en wethouders van Eibergen (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om bouwvergunning voor een erfafscheiding en een overkapping op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2004, verzonden op 21 juli 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 december 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2005, waar het college, vertegenwoordigd door A.E.M. Diepeveen en S.A. van der Spek, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" bestemd voor "Zomerhuis".

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van niet-permanente bewoning.

   Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, is uitsluitend de volgende bebouwing toegestaan:

een zomerhuis inclusief bijgebouw van maximaal 60 m² en voor het vrijstaande bijgebouw, dat op geen grotere afstand dan 15 m van het zomerhuis mag worden opgericht een maximale hoogte van 2,75 m en een maximale goothoogte van 6 m², alsmede andere bouwwerken met een maximale hoogte van 2 m.

   Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de terinzagelegging bestond en dat afwijkt van het plan gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd.

2.2.    Het bouwplan voorziet in een tegen een erfafscheiding geplaatste overkapping met een hoogte van 2,70 m, een oppervlakte van ongeveer 5,50 m bij 3,50 m en heeft één tot de constructie behorende wand met een breedte van 1,60 m. Appellant betoogt terecht dat deze overkapping niet kan worden aangemerkt als een gebouw in de zin van de Woningwet. De omstandigheid dat de overkapping tegen een dichte erfafscheiding is geplaatst brengt niet mee dat in dit geval sprake is van een gebouw. Van een met wanden omsloten ruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is geen sprake.

2.3.    Niet betwist is dat deze overkapping vanwege de plaatsing bij een recreatiewoning ingevolge artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet zoals dat artikel luidt sinds 1 januari 2003, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder b, sub 5, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet is aangemerkt als bouwen van beperkte betekenis waarvoor geen bouwvergunning is vereist. Derhalve is gelet op artikel VII, derde lid, van de Wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwering, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht), op de aanvraag het recht van toepassing zoals dat gold ten tijde van de indiening ervan.

2.4.    Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat voor de overkapping ingevolge artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2003, geen bouwvergunning is vereist. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat nu de overkapping wordt geplaatst bij een recreatiewoning op gronden met een recreatieve bestemming, deze niet strekt tot vergroting van het woongenot zoals die bepaling eist. De omstandigheid dat de overkapping niet kan worden aangemerkt als een gebouw doet aan de vergunningplichtigheid ervan niet af.

2.5.    Niet in geschil is dat de overkapping gelet op de hoogte daarvan in strijd is met artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften.

   Het beroep op het overgangsrecht faalt reeds omdat artikel 34 van de planvoorschriften, behoudens in geval van tenietgaan door een calamiteit welk geval zich hier niet voordoet, nieuwbouw van de overkapping niet toestaat.

2.6.    Nu, zoals hiervoor is overwogen, de overkapping niet kan worden aangemerkt als een gebouw in de zin van de Woningwet, heeft het college - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - zich terecht bevoegd geacht daarvoor vrijstelling te verlenen ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Voor het aanmerken van de aanvraag als een verzoek om toepassing van artikel 19, eerste en tweede lid, van die wet bestond voor het college geen aanleiding. Niet in geschil is dat de bebouwing op het perceel de ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte reeds ruimschoots overschrijdt. Niet valt in te zien dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan een verdere overschrijding daarvan geen medewerking te verlenen. De omstandigheid dat appellant eerder bebouwing op het perceel heeft gesloopt maakt dat niet anders. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.7.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van schade ten gevolge van de gehandhaafde weigering om voor de erfafscheiding bouwvergunning te verlenen. Reeds omdat in het beroepschrift het beroep uitdrukkelijk is beperkt tot de overkapping, bestond geen grond voor een veroordeling van het college tot vergoeding van de gestelde schade op de voet van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Voorzover de rechtbank heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van het besluit van 1 april 2003, voorzover dat betrekking heeft op de erfafscheiding, is zij getreden buiten de omvang van het haar voorgelegde geschil. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

2.8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover de rechtbank heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van het besluit van 1 april 2003 voorzover dat betrekking heeft op de erfafscheiding. Voor het overige gedeelte dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 juli 2004, 03/662 WOW44, voorzover daarbij is geoordeeld over de rechtmatigheid van het besluit van 1 april 2003 voorzover dat betrekking heeft op de erfafscheiding;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Willems

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005

412.