Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200407114/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor een woonboerderij op een terrein achter de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/4404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407114/1.

Datum uitspraak: 6 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor een woonboerderij op een terrein achter de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

[vergunninghouder] heeft gereageerd bij brief van 23 oktober 2004. Bij brief van 10 november 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B.D. Roelink, advocaat te Hoofddorp, en drs. M.H. Moerman en H. Klomp, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C. de Jong en mr. D.J.T. van Rees, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [vergunninghouder]

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een woning met een breedte van 25,95 m een diepte van 9,01 m, en een maximale bouwhoogte van ongeveer 8,60 m.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorp Sloten" is het perceel gedeeltelijk bestemd voor "Bedrijven kernbebouwing (B)" en gedeeltelijk voor "Tuinen en Erven (T2)".

   Artikel 16 van de planvoorschriften, voorzover van belang, luidt als volgt:

1. De gronden op de plankaart bestemd voor "Bedrijven kernbebouwing (B)" zijn aangewezen voor bedrijven met inbegrip van de daarbij behorende bergingen en nevenruimten.

2. Op de in lid 1 genoemde gronden mag slechts bebouwing ten dienste van de aldaar genoemde bestemming worden gebouwd.

3. Voor de in lid 1 genoemde gronden en de in lid 2 bedoelde bebouwing gelden de volgende maxima:

gebouwen: max. bouwhoogte: zoals op de plankaart is aangegeven.

   Op de plankaart is ter plaatse van het perceel voor deze bestemming een maximale bouwhoogte van 3 m aangegeven.

   Artikel 29 van de planvoorschriften luidt als volgt:

1. De gronden op de kaart bestemd voor "Tuinen en Erven (T2)" zijn aangewezen voor tuinen, erven en ongebouwde parkeervoorzieningen.

2. Op de in lid 1 genoemde gronden mogen slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de aldaar genoemde bestemming worden gebouwd.

3. Voor de in lid 2 bedoelde bouwwerken geldt een maximum bouwhoogte van 2,5 m.

2.3.    Vaststaat dat het bouwplan, dat grotendeels is geprojecteerd op gronden bestemd voor "Tuinen en Erven (T2)", in strijd is met het bestemmingsplan. De bouwvergunning is verleend met een vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO.

   Ingevolge deze bepaling, voorzover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke ordening in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het realiseren van het project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4.    Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het dagelijks bestuur van het voornemen om voor dit bouwplan vrijstelling te verlenen ten onrechte geen mededeling aan hem heeft gedaan. Het dagelijks bestuur heeft terecht de in artikel 19a, vierde lid, van de WRO voorgeschreven procedure gevolgd en het ontwerp van het besluit ter inzage gelegd onder kennisgeving daarvan in een lokaal nieuwsblad. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten onrechte is nagelaten op dat ontwerp betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Voorzover het gaat om stukken die verband houden met bebouwing van een perceel ten oosten van het onderhavige perceel kan niet worden geoordeeld dat deze redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp van het besluit.

2.5.    Appellant bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hij betoogt in dat verband dat het dagelijks bestuur heeft miskend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de Cultuurhistorische Verkenningen waarin voor het dorp Sloten aanbevelingen worden gedaan voor een ruimtelijke planvorming, met name het bestemmingsplan.

2.6.    Zoals blijkt uit de beslissing op bezwaar wordt de ruimtelijke onderbouwing gevormd door een ambtelijke notitie van februari 2003, die is aangevuld naar aanleiding van zienswijzen die zijn ingediend tegen het voornemen van het dagelijks bestuur om voor dit bouwplan vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. In die notitie is aangegeven dat de woning wordt gerealiseerd op een plaats waar thans vervallen en in onbruik geraakte bedrijfsbebouwing is gesitueerd. Voorts is daarin vermeld dat het verwijderen van deze gebouwen en het realiseren van woonbebouwing als een gunstige ontwikkeling moet worden gezien die bijdraagt aan het opschonen van de dorpskern en de versterking van de woonfunctie, welke ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van het vigerende bestemmingsplan. Het bouwplan sluit voorts bedrijfsvestiging uit, hetgeen als een planologische verbetering moet worden beschouwd.

2.7.    Naarmate de inbreuk op het planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing. Gelet op de hoogte en oppervlakte en daarmee de bouwmassa, alsmede de functie van het bouwplan kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden staande gehouden dat dit geen ingrijpende inbreuk maakt op het ter plaatse geldende planlogisch regime. Dat de ruimtelijke effecten van het bouwplan naar het oordeel van het college feitelijk beperkt zijn, daargelaten wat daar van zij, betekent niet dat sprake is van een niet-ingrijpende inbreuk.

2.8.    Dit in aanmerking nemende kan niet worden geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. Blijkens die onderbouwing vloeit de wenselijkheid van het bouwplan met name voort uit de met de realisering daarvan gepaard gaande verwijdering van de op het perceel aanwezige vervallen bebouwing. In onvoldoende mate is evenwel aangegeven waarom het bouwplan op zichzelf bezien in deze vorm en omvang het maken van een ingrijpende inbreuk op de bestaande bestemmingen rechtvaardigt. Reeds gelet op die inbreuk valt - anders dan in de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven - niet op voorhand in te zien dat het bouwplan in overeenstemming is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan dat ter plaatse van het perceel niet uitgaat van een woonfunctie. Evenmin valt zonder nadere onderbouwing in te zien dat het voorkomen van een ontwikkeling die het bestemmingsplan toelaat door het realiseren van bebouwing die met dat plan in strijd is als een planologische verbetering moet worden beschouwd. Dit klemt temeer nu het bouwplan niet in overeenstemming kan worden geacht met de in opdracht van het stadsdeel opgestelde Cultuurhistorische Verkenningen. De strekking van dat stuk is behoud van de dorpskarakteristiek waarbij onder meer is aangegeven dat van essentieel belang is dat nieuwbouw in de kavelrichting wordt gesitueerd op zodanige wijze dat geen belangrijke zichtlijnen worden dichtgezet en waarbij een bouwhoogte van twee bouwlagen met kap slechts binnen de dorpskern aan de - als hoofdstraat van het dorp aan te merken - Sloterweg aanvaardbaar is geacht. Het bouwplan is evenwel geprojecteerd op een gedeelte van een perceel op betrekkelijk grote afstand van de Sloterweg, haaks op de daaraan gelegen bebouwing en de kavelrichting van het oorspronkelijke perceel. Reeds omdat in de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat met de Cultuurhistorische Verkenningen rekening is gehouden kan de omstandigheid dat het niet gaat om vastgesteld beleid niet leiden tot het oordeel dat daaraan geen betekenis toekomt.

   Het betoog van appellant dat de situering van de woning niet kan worden afgeleid uit de van de bouwvergunning deel uitmakende bouwtekeningen mist feitelijke grondslag. Die situering kan genoegzaam worden afgeleid uit de tekening met bladnummer BA-01.

2.9.    Voorzover appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, faalt dat betoog. De Commissie voor Welstand en Monumenten heeft op 10 juli 2002 positief geadviseerd over het bouwplan. Hoewel het dagelijks bestuur niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, mocht het aan dit advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een belanghebbende een andersluidend oordeel overlegt van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Appellant heeft zijn stelling dat het gebouw ter plaatse misstaat echter niet met een deskundigenbericht onderbouwd. Het in zijn opdracht door Bureau Mattie & De Moor opgestelde rapport van mei 2004 heeft geen betrekking op de welstandelijke aspecten van het bouwplan en is ook uitdrukkelijk niet als welstandsadvies bedoeld.

2.10.    Aan het betoog van appellant dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de zijns inziens ongewenste precedentwerking die van het bouwplan zou uitgaan komt de Afdeling gelet op het voorgaande niet toe.

2.11.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 17 februari 2004 vernietigen.

2.12.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2004, AWB 04/1404 WRO;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam van 17 februari 2004, 6796, 7636, 7747, 7735, 5772, 5185, 5784 en 6043sdo03;

V.    veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het stadsdeel Amsterdam Osdorp van de gemeente Amsterdam aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat het stadsdeel Amsterdam Osdorp van de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 341,00 (€ 136,00+ € 205,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Willems

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005

412.