Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200407018/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor een dakopbouw op zijn woning aan de [locatie] te Breda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407018/1.

Datum uitspraak: 6 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[9 appellanten], allen wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor een dakopbouw op zijn woning aan de [locatie] te Breda.

Tegen dat besluit hebben appellanten bij brieven van 2 juni 2003 en 18 juni 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 augustus 2003 heeft het college het bezwaar van [appellant 9] niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van de andere appellanten ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2004, verzonden op 14 juli 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 17 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is [vergunninghouder] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft te kennen gegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken.

Bij brief van 15 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 15 november 2004 hebben appellanten een nadere memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Een afschrift daarvan is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2005, waar [appellant 3] in persoon, vertegenwoordigd door mr. L.M. van der Werf, gemachtigde, het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis, ambtenaar der gemeente, en [vergunninghouder] in persoon en bijgestaan door mr. H.J.A. Ebbeng, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan van [vergunninghouder] voorziet in een dakopbouw op zijn woning aan de [locatie] te Breda.

2.2.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.    Anders dan [appellant 9] heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat [appellant 9], die woonachtig is aan [locatie b], door het college terecht niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het besluit van 9 mei 2003 tot verlening van bouwvergunning voor de dakopbouw is aangemerkt, in verband waarmee het bezwaar van [appellant 9] niet-ontvankelijk is verklaard.

    De dakopbouw heeft geen invloed op de directe woonomgeving van [appellant 9]. Daarbij acht de Afdeling van gewicht dat [appellant 9] vanuit zijn woning geen zicht heeft op de woning van [vergunninghouder] en evenmin - na realisatie - op de dakopbouw. Voorts is relevant de tussen beide woningen gelegen afstand, die circa 160 meter bedraagt. De stelling van [appellant 9] dat iedere bewoner van de [locatie] als belanghebbende bij het bouwplan dient te worden aangemerkt, omdat de straat is aangewezen als beschermd stadsgezicht is feitelijk onjuist. Van aanwijzing als beschermd stadsgezicht, of van enige andere specifieke bescherming van de woningen aan de [locatie], was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen sprake.

   Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan [appellant 9] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 9 mei 2003 had moeten worden aangemerkt.

2.4.    Ter plaatse van de [locatie] geldt ingevolge het bestemmingsplan 'Breda-Zuid' de bestemming 'woongebied'. Niet in geschil is dat de onderhavige dakopbouw niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.6.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet mag de bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.7.    Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het welstandsadvies van 2 april 2003 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, zodat het college zich niet op het advies had mogen baseren. Naar hun mening gaat het om een moderne dakopbouw, die niet past bij de gevelstructuur van de woningen aan de [locatie] in het algemeen en die van de woning van [vergunninghouder] in het bijzonder. In dit verband hebben appellanten er op gewezen dat de betreffende woningen aan de [locatie] in de dertiger jaren van de twintigste eeuw onder architectuur zijn gebouwd.

2.8.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 11 januari 1996 in zaak no. H01.95.0439/Q1, gepubliceerd in de Gst. 1997, 7055, 7) mag bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie als regel groot gewicht worden toegekend. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

2.9.    Appellanten hebben in de bezwaarfase wel het welstandsaspect betrokken, maar hebben in die fase geen deskundig tegenadvies laten uitbrengen. Daarvan hebben zij vanwege de daaraan verbonden kosten afgezien, alsook omdat destijds het belang van een deskundig tegenadvies onvoldoende werd ingezien. Eerst in beroep bij de rechtbank hebben appellanten een verklaring van drs. E.M. Dolne (hierna: Dolne) overgelegd en in hoger beroep - na het sluiten van het vooronderzoek - een verklaring van ir. ing. R. Agasi bi (hierna: Agasi), waarmee zij beogen de gestelde gebreken aan het welstandsadvies te onderbouwen.

   Vastgesteld wordt dat het college met deze verklaringen bij het nemen van de beslissing op bezwaar geen rekening heeft kunnen houden. Verder kan de verklaring van Dolne, die kunst- en bouwhistoricus is, niet als een tegenadvies van een terzake deskundige worden beschouwd. Hieraan doet niet af dat Dolne in zijn hoedanigheid van monumentenzorger van de gemeente Breda het college in 1996 heeft geadviseerd om de gehele [locatie] als beschermd stadsgezicht aan te wijzen.

De rechtbank heeft in de verklaring van Dolne dan ook terecht geen aanleiding gevonden voor vernietiging van de beslissing op bezwaar.

   De verklaring van Agasi is eerst kort voor de zitting in hoger beroep ingebracht. Het college heeft aangegeven in deze fase van de procedure niet inhoudelijk op de verklaring te hebben kunnen reageren. Gelet hierop kan deze verklaring niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nog daargelaten dat de verklaring in algemene bewoordingen is gesteld en niet ziet op het onderhavige bouwplan.

2.9.1.    Voor het standpunt van appellanten dat het welstandsadvies niet weloverwogen tot stand is gekomen omdat de welstandscommissie vooringenomen zou zijn ten aanzien van de moderne architectuur, bieden de stukken noch het verhandelde ter zitting aanknopingspunten. Verder is ten aanzien van de besluitvorming niet gebleken dat sprake is van met artikel 2:4 van de Awb strijdige vooringenomenheid.

2.9.2.    Voorts is niet gebleken van gebreken met betrekking tot de totstandkoming en de motivering van het welstandsadvies. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de welstandscommissie op 10 juli 2002, 31 oktober 2002 en 11 december 2002 inhoudelijk over een eerder ontwerp voor een dakopbouw op de woning van [vergunninghouder] heeft geadviseerd en vervolgens - in een andere samenstelling - op 2 april 2003 over de onderhavige aangepaste dakopbouw advies heeft uitgebracht. Niet is gebleken dat deze adviezen onderling niet consistent zijn.

2.9.3.    Gelet op het vorenstaande heeft het college het welstandsadvies dan ook aan zijn besluit tot verlening van de bouwvergunning ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.10.    Appellanten hebben nog betoogd dat het college, alvorens op de bouwaanvraag te beslissen, een beeldkwaliteitsplan van de [locatie] had moeten laten maken. Daaruit had dan volgens hen kunnen blijken dat de dakopbouw noch bij de woning van [vergunninghouder], noch in het straatbeeld past. Ook de aanstaande besluitvorming over het aanwijzen van de [locatie] als beschermd stadsgezicht had voor het college aanleiding moeten vormen de beslissing op de aanvraag aan te houden, aldus appellanten.

   Voorop staat dat geen rechtsregel dwingt tot het laten opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Appellanten miskennen overigens de systematiek van de Woningwet. Ingevolge artikel 44 van die wet moet het college de bouwvergunning verlenen indien, zoals in dit geval, het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, voldoet aan redelijke eisen van welstand en geen van de overige in artikel 44 genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Daarbij is nog van belang, zoals hiervoor onder 2.3 reeds is overwogen, dat het bouwwerk ten tijde hier van belang niet viel onder de bescherming van de werking van de Monumentenwet of een gemeentelijke monumentenverordening. Het college heeft verklaard dat besluitvorming over de aanwijzing van de [locatie] als beschermd stadsgezicht eerst zal plaatsvinden bij de herziening van het bestemmingsplan, voorzien in 2008. Gelet hierop was voor het bouwplan geen monumentenvergunning vereist. Er was derhalve geen grond de beslissing op de bouwaanvraag aan te houden op grond van artikel 51 van de Woningwet. Het college diende ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag om een reguliere bouwvergunning te beslissen, bij gebreke waarvan de bouwvergunning ingevolge het vierde lid van dat artikel van rechtswege zou ontstaan.

2.11.    Appellanten hebben tot slot betoogd dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, omdat de rechtbank in een uitspraak van eveneens 13 juli 2004 betreffende het verlenen van bouwvergunning voor het maken van een dakopbouw op de woningen [locatie] tot gegrondverklaring van het beroep is gekomen.

   Dat betoog faalt. In die uitspraak is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het college tekort is geschoten in de motivering van de belangenafweging ten aanzien van de verleende vrijstelling van het planvoorschrift ter zake van de goothoogte van beide dakopbouwen. Zoals hiervoor overwogen is het onderhavige bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan, zodat de bouwvergunning kon en moest worden verleend. Voor een belangenafweging was geen plaats.

2.12.    Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het college de door [vergunninghouder] gevraagde bouwvergunning terecht heeft verleend.

2.13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005

202.