Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200404645/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2003, kenmerk 02/4503, heeft verweerder aan appellant sub 2 lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van de artikelen 1.1a, eerste en tweede lid, en 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer en van de voorschriften 1, 4 en 10 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" verbonden aan de bij besluit van 16 augustus 1978 krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning respectievelijk de voorschriften 1, 2 en 9 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" verbonden aan de bij besluit van 24 september 1985 krachtens de Hinderwet verleende uitbreidingsvergunning voor een mestkuikenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Bij besluit van eveneens 11 december 2003, kenmerk 02/4503, heeft verweerder beslist op het verzoek van appellanten sub 1 om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen met betrekking tot deze inrichting. Daarbij is het verzoek gedeeltelijk ingewilligd onder verwijzing naar de bij genoemd besluit van 11 december 2003 aan appellant sub 2 opgelegde lasten onder dwangsom en is het voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 56K
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4191
Milieurecht Totaal 2005/2155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404645/1.

Datum uitspraak: 6 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2003, kenmerk 02/4503, heeft verweerder aan appellant sub 2 lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van de artikelen 1.1a, eerste en tweede lid, en 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer en van de voorschriften 1, 4 en 10 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" verbonden aan de bij besluit van 16 augustus 1978 krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning respectievelijk de voorschriften 1, 2 en 9 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" verbonden aan de bij besluit van 24 september 1985 krachtens de Hinderwet verleende uitbreidingsvergunning voor een mestkuikenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Bij besluit van eveneens 11 december 2003, kenmerk 02/4503, heeft verweerder beslist op het verzoek van appellanten sub 1 om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen met betrekking tot deze inrichting. Daarbij is het verzoek gedeeltelijk ingewilligd onder verwijzing naar de bij genoemd besluit van 11 december 2003 aan appellant sub 2 opgelegde lasten onder dwangsom en is het voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 27 april 2004, verzonden op 28 april 2004, heeft verweerder de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 11 december 2003 strekkende tot het opleggen van de lasten onder dwangsom gedeeltelijk herroepen.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 7 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 2 bij brief van 4 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 juli 2004. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 5 juli 2004.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2004, waar [twee van de appellanten sub 1] in persoon, bijgestaan door ir. A.K.M van Hoof, gemachtigde, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, alsmede verweerder, vertegenwoordigd door M.C.I. Smits, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

   Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

   Ingevolge het vijfde lid wordt in een beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

   Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet vervalt de vergunning of een gedeelte daarvan wanneer de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning is voltooid en in werking gebracht.

   Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen.    

2.2.    Bij het bestreden besluit, waarbij onder meer het besluit van 11 december 2003 tot het opleggen van de lasten onder dwangsom gedeeltelijk is herroepen, heeft verweerder de omvang van de bestaande rechten die appellant sub 2 voor het houden van vleeskuikenouderdieren kan ontlenen aan de eerdergenoemde oprichtings- en uitbreidingsvergunning vastgesteld op 5.500 vleeskuikenouderdieren.

   Daarnaast zijn de volgende lasten onder dwangsom gehandhaafd dan wel opgelegd.

10. Voor het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer binnen de inrichting houden van een veebezetting groter dan 5.500 vleeskuikenouderdieren is de dwangsom vastgesteld op € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00.

20. Voor het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer in werking zijn van de stalventilatoren is de dwangsom eveneens vastgesteld op € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00.    

30. Voor het in strijd met de voorschriften 8 en 7 van de respectievelijke hoofdstukken "Algemene voorwaarden" van de oprichtingsvergunning van 16 augustus 1978 en de uitbreidingsvergunning van 24 september 1985 niet aanbrengen van vliegengaas in de open nok van de pluimveestal is de dwangsom vastgesteld € 50,00 per dag met een maximum van € 5.000,00.

   De begunstigingstermijnen voor het uitvoeren van voornoemde lasten zijn bepaald op respectievelijk drie, drie en zes maanden na het onherroepelijk worden van het bestreden besluit.

2.3.    Ten aanzien van de onder 2.2. genoemde, eerste last betwist appellant sub 2 niet dat ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar 8.000 legkippen in de inrichting werden gehouden, zodat sprake was van overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Verweerder was derhalve in zoverre bevoegd handhavend op te treden.

   Appellant sub 2 betoogt in dit verband echter dat verweerder bij de voor deze overtreding opgelegde last onder dwangsom de omvang van de bestaande rechten die hij voor het houden van vleeskuikenouderdieren kan ontlenen aan de eerdergenoemde oprichtings- en uitbreidingsvergunning te laag heeft vastgesteld. Verder wijst hij in dit verband op de meldingen als bedoeld in artikel 1a van het Hinderbesluit die hij op 29 augustus 1988 en 20 augustus 1991 heeft gedaan, waarbij in totaal 2.000 vleeskuiken- moederdieren zijn omgewisseld voor 300 konijnen (voedsters inclusief slachtkonijnen). Ook voor het houden van konijnen bestaan volgens hem rechten.

2.3.1.    De oprichtingsvergunning van 16 augustus 1978 ziet op het houden van 6.000 vleeskuikenmoederdieren in de natuurlijk geventileerde stal A. Uit de vergunning blijkt dat de inrichting zal dienen voor het opfokken van kuikens en het daarna verkrijgen van eierproductie voor broedeieren ten behoeve van mestkuikens. Bij de uitbreidingsvergunning van 24 september 1985 is vergund dit aantal met 4.000 vleeskuikenmoederdieren uit te breiden tot 10.000, verdeeld in twee groepen van 5.000 vleeskuikenmoederdieren te huisvesten in de bestaande stal A en de nieuw te bouwen stal B.

2.3.2.    Niet in het geding is dat stal B niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de uitbreidingsvergunning in overeenstemming daarmee is voltooid en in werking gebracht. Voorzover deze stal gedeeltelijk zou zijn verwezenlijkt, is komen vast te staan dat daarin geen vleeskuikenmoederdieren zijn gehouden. Hieruit volgt dat de uitbreidingsvergunning van 24 september 1985 op grond van het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet van rechtswege is vervallen. Dit betekent dat, zoals appellant sub 2 betoogt, voor de bepaling van de bestaande rechten moet worden teruggevallen op de geldende oprichtingsvergunning.

   Voorzover appellant sub 2 meent bestaande rechten te kunnen ontlenen aan de door hem in de gedeeltelijk gerealiseerde stal B gehouden konijnen, overweegt de Afdeling dat aan de hiertoe door hem gedane meldingen als bedoeld in artikel 1a van het Hinderbesluit in dit verband geen betekenis toekomt. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Hinderwet is ingevolge artikel 2, tweede lid, van deze wet in samenhang met artikel 1a van het Hinderbesluit, niet vereist voor uitbreidingen en wijzigingen van een inrichting ten aanzien waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij geen gevolgen dan wel uitsluitend gunstige gevolgen zullen hebben voor de aard en de omvang van gevaar, schade of hinder buiten de inrichting. De voornoemde meldingen zien op een uitbreiding van de inrichting met konijnen en een gelijktijdige afname van het aantal vleeskuikenmoederdieren. Nu het hier gaat om dieren waarvoor op grond van de Richtlijn veehouderij en stankhinder respectievelijk vaste afstanden en omrekeningsfactoren gelden, kunnen deze wat stankhinder betreft niet met elkaar worden vergeleken. Door de uitbreiding van de inrichting met konijnen is, daargelaten de gemelde afname van het aantal vleeskuikenmoederdieren, de situatie wat stankhinder betreft gewijzigd. Het staat gelet op het vorenstaande niet op voorhand vast dat de desbetreffende meldingen kunnen worden geacht redelijkerwijs geen gevolgen, dan wel uitsluitend gunstige gevolgen te hebben voor de aard en de omvang van gevaar, schade of hinder buiten de inrichting. Aangezien derhalve de uitzondering, neergelegd in artikel 2, tweede lid, van de Hinderwet, zich niet voordeed, was voor de gewenste wijziging van de inrichting ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hinderwet een vergunning vereist. Anders dan appellant sub 2 meent kunnen dan ook geen rechten worden ontleend aan het door hem gehouden zijn van konijnen.

2.3.3.    Niet in het geding is dat de bij de geldende oprichtingsvergunning vergunde 6.000 vleeskuikenmoederdieren daadwerkelijk in stal A zijn gehouden. Voor de bepaling van de bestaande rechten moet van dit laatstgenoemde aantal worden uitgegaan en niet, zoals verweerder meent, van het aantal van 5.000 vleeskuikenmoederdieren die op grond van de vervallen uitbreidingsvergunning in deze stal mochten worden gehouden. Bij de bepaling van de bestaande rechten heeft verweerder verder betrokken de bedrijfsvoering waarvoor de oprichtingsvergunning is verleend, waaraan inherent is dat naast moederdieren ook hanen worden gehouden; verweerder gaat daarbij uit van het gebruikelijke aantal hanen van 10% van het aantal moederdieren. Nu dit verder niet in het geding is en de Afdeling deze wijze van beoordelen juist acht, moet worden aangenomen dat de oprichtingsvergunning daarmee betrekking heeft op het houden van 6.600 vleeskuikenouderdieren en dat appellant sub 2 voor dit aantal dieren bestaande rechten aan deze vergunning kan ontlenen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

   Appellant sub 2 heeft, onder verwijzing naar de door hem op 12 januari 2004 ingediende aanvraag om een nieuwe revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer en in het licht van zijn beroep op de voor de inrichting bestaande rechten, betoogd dat verweerder in zoverre niet in redelijkheid tot het opleggen van de last onder dwangsom heeft kunnen overgaan. Nu de aan bedoelde last onder dwangsom ten grondslag gelegde omvang van de bestaande rechten onjuist is, zal ook de in dat opzicht gegeven motivering om ten aanzien van de thans zonder toereikende vergunning in de inrichting gehouden dieren handhavend op te treden opnieuw door verweerder moeten worden beoordeeld. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.3.4.    De door appellanten sub 1 tegen deze last onder dwangsom aangevoerde grond dat deze last ten onrechte geen betrekking heeft op het houden van de vleeskuikenouderdieren in andere stallen dan stal A treft geen doel, aangezien zij, mede gelet op het vorenstaande, niet aannemelijk hebben gemaakt dat vleeskuikenouderdieren zijn gehouden in andere stallen dan stal A.

2.4.    Ten aanzien van de onder 2.2. als tweede genoemde last is niet in het geding dat ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar, stal A in strijd met de geldende oprichtingsvergunning mechanisch werd geventileerd, waardoor sprake was van overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Verweerder was derhalve in zoverre bevoegd handhavend op te treden.    

2.4.1.     Appellant sub 2 betoogt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhaving wat de overtreding betreft van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer vanwege het in werking zijn van de stalventilatoren. Hiertoe voert hij aan dat de mechanische ventilatie van stal A al jaren door verweerder wordt toegestaan en wijst hij op de noodzaak hiervan voor zijn bedrijfsvoering en op de zijns inziens geringe geluidbelasting. Verder is hij van mening dat met minder ingrijpende maatregelen kan worden volstaan, te weten het aanbrengen van voorzieningen aan de ventilatoren dan wel het vervangen van alle of enkele ventilatoren, en dat ten onrechte geen acht is geslagen op het door hem overgelegde plan van aanpak en de ingediende aanvraag voor een nieuwe vergunning.

2.4.2.    Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.3.    Op 12 januari 2004 heeft appellant sub 2 een aanvraag ingediend om een nieuwe revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer. Ten behoeve hiervan heeft appellant op 24 december 2003 een plan van aanpak opgesteld, met een akoestisch rapport, waarin onder meer wordt ingegaan op de geluidoverlast van de stalventilatoren. De in de genoemde vergunningaanvraag aangevraagde situatie wijkt wat de stalventilatoren betreft af van de thans aanwezige situatie. Appellant sub 2 heeft verder, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, anders dan waarvan verweerder uitgaat, het aangevraagde ventilatiesysteem, bezien vanuit het aspect geluidhinder, op korte termijn vergunbaar is. Ook is niet gebleken dat de door appellant genoemde minder ingrijpende maatregelen hiertoe voldoende zijn. Uit het verhandelde ter zitting is verder niet gebleken dat het naleven van de geldende oprichtingsvergunning op dit punt zodanig bezwarend is voor de bedrijfsvoering van appellant sub 2, dat het opleggen van de bestreden last onder dwangsom onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Hieraan doet niet af dat verweerder pas op 11 december 2003 is overgegaan tot het nemen van een handhavingsbesluit.

2.5.    Ten aanzien van de onder 2.2. als derde genoemde last betoogt appellant sub 2 dat het naleven van voorschrift 8 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" verbonden aan de geldende oprichtingsvergunning niet mogelijk is. Appellanten sub 1 betogen dat de vanwege de overtreding van dit voorschrift opgelegde last onder dwangsom niet toereikend is ter voorkoming van vliegenoverlast.

   Ingevolge voorschrift 8 moeten raam- en/of ventilatieopeningen in de stallen bezet zijn met goedsluitend vliegengaas.

2.5.1.    Niet in het geding is dat in strijd met voorschrift 8 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" verbonden aan de geldende oprichtingsvergunning geen vliegengaas in de open nok van de pluimveestal was aangebracht. Verweerder was derhalve in zoverre bevoegd handhavend op te treden.

   Voorzover verweerder ten aanzien van deze last zijn bevoegdheid mede heeft doen steunen op de overtreding van voorschrift 7 van de uitbreidingsvergunning is deze grondslag onjuist omdat, zoals hiervoor is overwogen, deze vergunning van rechtswege is vervallen. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, in samenhang bezien met de artikelen 5:21 en 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.2.    Het bezwaar van appellant sub 2 richt zich met name tegen de inhoud van voorschrift 8. Het bezwaar valt in zoverre buiten het kader van de voorliggende procedure. Uit het verhandelde ter zitting is verder niet gebleken dat het naleven van voorschrift 8 zodanig bezwarend is voor de bedrijfsvoering van appellant sub 2, dat het opleggen van de bestreden last onder dwangsom onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Voorzover de naleving van voorschrift 8 wordt bemoeilijkt door de aanwezige stalventilatoren wijst de Afdeling in dit verband op hetgeen hierover is overwogen in rechtsoverweging 2.4.3.

   Wat de grond van appellanten sub 1 betreft, heeft verweerder ter zitting erkend dat hij de ter zake van de overtreding van voorschrift 8 oplegde last onder dwangsom ten onrechte heeft beperkt tot het niet aanbrengen van vliegengaas in de open nok van de pluimveestal in plaats van in alle aanwezige ventilatieopeningen, zoals voorschrift 8 eist. De bestreden beslissing op bezwaar is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevant feiten, en het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.6.    Appellanten sub 1 maken er bezwaar tegen dat de bij het primaire besluit opgelegde lasten onder dwangsom wegens overtreding van respectievelijk de voorschriften 1 en 4 en voorschrift 10 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" van de geldende oprichtingsvergunning bij de bestreden beslissing op bezwaar zijn herroepen.

2.6.1.    Niet in het geding is dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit is gehandeld in strijd met respectievelijk de voorschriften 1 en 4 betreffende het opslaan van mest en voorschrift 10 betreffende de bestrijding van ongedierte, zodat verweerder in zoverre bevoegd was handhavend op te treden. Verweerder heeft het primaire besluit wat de terzake opgelegde lasten betreft echter bij het bestreden besluit herroepen omdat de genoemde voorschriften ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar niet meer zouden zijn overtreden. Volgens verweerder is de illegale open mestopslag verwijderd, en zijn voldoende maatregelen getroffen voor de bestrijding van ongedierte. Een en ander is door appellanten sub 1 niet weersproken. Appellanten sub 1 hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat gegronde vrees bestaat voor herhaling van de ten tijde van het primaire besluit geconstateerde overtredingen. In hetgeen appellanten sub 1 hebben aangevoerd en ook overigens ziet de Afdeling, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid het primaire besluit wat de opgelegde lasten betreft heeft kunnen herroepen.

2.7.    Appellanten sub 1 betogen dat de aan de bestreden beslissing op bezwaar verbonden begunstigingstermijnen ten onrechte zijn gekoppeld aan het onherroepelijk worden van dit besluit, waardoor deze termijnen onbepaald zijn. Daarnaast voeren zij aan dat, afgezien hiervan, de gestelde begunstigingstermijn voor het uitvoeren van de last onder dwangsom wegens het overtreden van voorschrift 8 van het hoofdstuk "Algemene voorwaarden" van de geldende oprichtingsvergunning onredelijk lang is.

2.8.    Uit artikel 20.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer volgt dat een handhavingsbesluit direct na de bekendmaking daarvan in werking treedt. De bij de bestreden beslissing op bezwaar gestelde begunstigingstermijnen zijn, in afwijking van dit artikel, gekoppeld aan het onherroepelijk van kracht worden van dat besluit. Daarmee is sprake van een termijn die afhangt van een toekomstige gebeurtenis, waarvan onzeker is wanneer deze zich zal voordoen, te weten: wanneer geen beroep zou worden ingesteld, een termijn van zes weken waarna de begunstigingstermijnen van zes, drie en drie maanden gaan gelden, en wanneer wel beroep zou worden ingesteld, de termijn die is gemoeid met het geven van een uitspraak waarna genoemde begunstigingstermijnen gaan gelden.

   Verder is van belang dat een begunstigingstermijn er slechts toe dient de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Gezien de relatief eenvoudige wijze waarop de overtreding van voorschrift 8 kan worden beëindigd, is, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk gemaakt dat, afgezien van het vorenstaande over het moment van aanvang van de termijnen, een begunstigingstermijn nodig is met een duur van zes maanden.

   Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden gesproken van reële begunstigingstermijnen als bedoeld in artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met dit artikel.

2.9.    De beroepen van appellanten sub 1 en appellant sub 2 zijn gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft de vaststelling van de bestaande rechten voor het houden van vleeskuikenouderdieren en de last onder dwangsom voorzover deze in verband daarmee is gehandhaafd, het ontlenen van de bevoegdheid tot het treffen van handhavingsmaatregelen aan overtreding van voorschrift 7 van de uitbreidingsvergunning van 24 september 1985, de gehandhaafde last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 8 van de geldende oprichtingsvergunning, en de gestelde begunstigingstermijnen. Verweerder dient een besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen.

2.10.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en appellant sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende van 27 april 2004, voorzover het betreft de vaststelling van de bestaande rechten voor het houden van vleeskuikenouderdieren en de last onder dwangsom voorzover deze in verband daarmee is gehandhaafd, het ontlenen van de bevoegdheid tot het treffen van handhavingsmaatregelen aan overtreding van voorschrift 7 van de uitbreidingsvergunning van 24 september 1985, de gehandhaafde last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 8 van de geldende oprichtingsvergunning, en de gestelde begunstigingstermijnen;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit aan appellanten sub 1 en appellant sub 2 toe te zenden;

IV.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 678,07, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van eveneens € 678,07, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Heeze-Leende aan appellanten sub 1 respectievelijk aan appellant sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Heeze-Leende aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 voor appellanten sub 1 en € 136,00 voor appellant sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005

159.