Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200501635/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2004, kenmerk BA/2004/1767, heeft verweerder krachtens artikel 122 van de Provinciewet in samenhang met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht besloten bestuursdwang toe te passen ter zake van de overtreding van voorschrift B.8, verbonden aan de door het college van burgemeester en wethouders van Goor aan verzoekster bij besluit van 13 december 1994 krachtens de Wet milieubeheer verleende veranderingsvergunning voor een inrichting voor de verwerking van geslacht pluimvee en -organen tot halffabrikaat voor diervoeding op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/3417
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501635/2.

Datum uitspraak: 30 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2004, kenmerk BA/2004/1767, heeft verweerder krachtens artikel 122 van de Provinciewet in samenhang met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht besloten bestuursdwang toe te passen ter zake van de overtreding van voorschrift B.8, verbonden aan de door het college van burgemeester en wethouders van Goor aan verzoekster bij besluit van 13 december 1994 krachtens de Wet milieubeheer verleende veranderingsvergunning voor een inrichting voor de verwerking van geslacht pluimvee en -organen tot halffabrikaat voor diervoeding op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 december 2004, kenmerk BA/2004/2334 A'04-128, verzonden op 11 januari 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 28 juni 2004 herroepen wat het bezwaar met betrekking tot de adaptietijd in relatie tot voorschrift B.8 betreft en daarvoor in de plaats het aan voornoemde vergunning verbonden voorschrift B.6 ten grondslag gelegd aan het besluit. Verweerder heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 22 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 maart 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.A. van Wijmen, advocaat te Zwolle en mr. M. van Dijk-Prakken, E.B.J. Lange, P.A. Tempelman, S. Boonstra en G.J.H. Ranter, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster voert onder meer aan dat het bestreden besluit ten onrechte een geheel andere grondslag heeft dan het primaire besluit. De beslissing op bezwaar verschilt dermate wezenlijk van het primaire besluit dan sprake is van een nieuw primair besluit, aldus verzoekster.

2.2.1.    In voorschrift B.6 is onder meer bepaald dat een (berekende) uurgemiddelde geurimmissieconcentratie van 1 g.e./m3 ter plaatse van woningen niet vaker dan 2% van de tijd (98-percentiel) mag worden overschreden.

   In voorschrift B.8 is, kort samengevat, bepaald dat slachtafvalverwerkingswerkzaamheden tijdens werkzaamheden aan de filters of storingen daaraan moeten worden gestaakt, indien ten gevolge van laatstgenoemde werkzaamheden en storingen geurhinder in de omgeving van de inrichting zou kunnen optreden.

2.2.2.    De bestuursdwangaanschrijving van 28 juni 2004 strekt tot het voorkomen van geurhinder ten gevolge van het uitvoeren van slachtafvalverwerkende activiteiten gedurende werkzaamheden aan geurfilters en/of storingen aan die filters. Verweerder heeft aan zijn besluit van 28 juni 2004 ten grondslag gelegd dat in mei 2004 vele klachten van omwonenden over geuroverlast met betrekking tot de onderhavige inrichting zijn ontvangen. Naar aanleiding van deze klachten zijn namens verweerder controlebezoeken gebracht aan de inrichting. Tijdens deze bezoeken is onder meer geconstateerd dat slachtafval werd verwerkt terwijl werkzaamheden werden verricht aan de filters. Verzoekster voert in haar bezwaarschrift aan dat geen sprake is geweest van overtreding van voorschrift B.8, aangezien de door omwonenden ondervonden geurhinder is veroorzaakt door de benodigde adaptietijd ten gevolge van de vervanging van de biobedfilters. In de adaptietijd, zijnde de periode dat nieuw filtermateriaal zich dient aan te passen aan de aangeboden geurcomponenten, is de werking van het filtermateriaal beperkter, aldus verzoekster. De extra emissie van geur gedurende de adaptietijd valt volgens haar niet onder de werking van voorschrift B.8. Blijkens de stukken deelt verweerder deze interpretatie. In het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 28 juni 2004 in die zin gewijzigd dat hij bestuursdwang heeft aangezegd terzake van de overtreding van vergunningvoorschrift B.6, dat een geurnorm bevat voor alle geurproducerende activiteiten binnen de inrichting. Niet in geschil is dat deze geurnorm zowel ten tijde van het nemen van het besluit van 28 juni 2004 als ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd overtreden, terwijl de overtreding van voorschrift B.8 niet is komen vast te staan. De inhoud van de bestuursdwangaanschrijving is aldus veranderd in het nadeel van verzoekster. Het komt de Voorzitter dan ook voor dat verzoekster door het maken van bezwaar in een ongunstiger positie is geraakt. Voorts is de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd ten opzichte van de bestuursdwangaanschrijving van 28 juni 2004 zodat mogelijk sprake is van een nieuw primair besluit. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter voldoende aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening op de in het dictum van deze uitspraak bepaalde wijze. Nu verweerder heeft erkend dat de extra emissie van geur gedurende de adaptietijd van de biobedfilters niet onder de werking van voorschrift B.8 valt, dient tevens ten aanzien van het primaire besluit een voorlopige voorziening te worden getroffen. De overige bezwaren behoeven geen bespreking meer.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 28 juni 2004, kenmerk BA/2004/1767 en 21 december 2004, kenmerk BA/2004/2334 A'04-128;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Overijssel aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Fransen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005

407.