Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT3228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
200501412/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2004, kenmerk 579296, heeft verweerder op verzoek van de Motorclub Ooststellingswerf met toepassing van artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 22 augustus 2001 krachtens deze wet verleende vergunning gedeeltelijk ingetrokken voor het houden van wedstrijden of trainingen ten behoeve van wedstrijden en heeft hij tevens de aan deze vergunning verbonden voorschriften E.2 tot en met E.4, F.6 en F.7 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501412/2.

Datum uitspraak: 30 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats] en [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2004, kenmerk 579296, heeft verweerder op verzoek van de Motorclub Ooststellingswerf met toepassing van artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 22 augustus 2001 krachtens deze wet verleende vergunning gedeeltelijk ingetrokken voor het houden van wedstrijden of trainingen ten behoeve van wedstrijden en heeft hij tevens de aan deze vergunning verbonden voorschriften E.2 tot en met E.4, F.6 en F.7 ingetrokken.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 10 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 maart 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door Th. Miedema, ambtenaar van de provincie, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Verzoekers hebben de gronden inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan, het achterwege laten van vooroverleg over het besluit en het niet onderzoeken van de geluidklachten niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoekers redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter gaat er daarom van uit dat de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. Op dit punt ziet de Voorzitter dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.    Verzoekers vrezen dat door de toekomstige wisseling van het bevoegd gezag het houden van wedstrijden en trainingen ten behoeve hiervan in de toekomst zullen worden gedoogd, hetgeen zij in strijd achten met de regelgeving. Voorts vrezen zij geluidoverlast vanwege de wedstrijden en trainingen.

   Deze gronden richten zich niet tegen de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit, maar tegen mogelijke toekomstige besluiten, en kunnen om die reden niet slagen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen aanleiding.

2.4.    Verzoekers voeren aan dat in de considerans van het bestreden besluit ten onrechte mini's van 80 cc zijn vermeld, aangezien hiervoor geen vergunning is verleend.

   Deze grond richt zich niet tegen het bestreden besluit als zodanig, zodat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Verzoekers voeren aan dat in het besluit ten onrechte niet op hun bedenkingen is ingegaan.

   In het besluit is nagelaten in te gaan op de bedenkingen van verzoekers, hetgeen in strijd is met de artikelen 3:46 en 3.47 van de Algemene wet bestuursrecht. Niettemin overweegt de Voorzitter dat, gelet op de aard van het besluit, in dit gebrek geen onverwijlde spoed is gelegen die vergt dat in afwachting van de bodemprocedure, een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.6.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Leurs

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005

372.