Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT2810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
200406623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heythuysen (hierna: het college) een verzoek van appellant om deelname aan de gemeentelijke spaarloonregeling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 6
Gst. 2006, 3 met annotatie van A.H.M. Dölle
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406623/1.

Datum uitspraak: 30 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Heythuysen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heythuysen (hierna: het college) een verzoek van appellant om deelname aan de gemeentelijke spaarloonregeling afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het college het besluit van 10 februari 2004 gewijzigd en het door appellant gemaakte bezwaar alsnog ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 10 februari 2004 door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het tegen het besluit van 25 februari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 juli 2004, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 8 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is doorgezonden naar de Raad van State. De brief is aangehecht.

Bij brief van 24 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 29 augustus 2004 heeft appellant een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.E.G.H. Stevens, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Appellant is met berichtgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant is als niet-raadslid benoemd tot lid van de raadscommissie maatschappelijke zaken in de gemeente Heythuysen. Hij heeft in januari 2003 een verzoek ingediend om deelname aan de spaarloonregeling van de gemeente. Ten tijde hier van belang was het op zichzelf mogelijk bij meerdere werkgevers aan een dergelijke regeling deel te nemen.

2.2.    Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet - voorzover hier van belang - ontvangen de leden van een door de raad ingestelde commissie, voorzover zij geen lid zijn van de raad, een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding:

a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en

b. van reis- en verblijfskosten in verband met reizen binnen de gemeente.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel worden ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder a, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.

2.2.1.    Op grond van artikel 95 en 96 van de Gemeentewet is het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (hierna: het Rechtspositiebesluit) vastgesteld.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit kan de raad bij verordening bepalen dat aan een lid van een commissie een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie wordt toegekend tot het maximumbedrag, genoemd in tabel IV, bij dit besluit. De artikelen 2, tweede lid, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.2.2.    Op grond van de artikelen 44 en 95 tot en met 99 van de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden heeft de raad van de gemeente Heythuysen de Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden 2003 (hierna: de verordening) vastgesteld.

   In Hoofdstuk IV van de verordening zijn de voorzieningen voor de commissieleden geregeld.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de verordening ontvangt een lid van een commissie voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

2.2.3.    Ingevolge artikel 1 van de Spaarloonregeling gemeente Heythuysen staat vrijwillige deelname aan deze regeling open voor medewerkers van de gemeente Heythuysen, die overeenkomstig de bepalingen van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling en Uitwerkingsovereenkomst (hierna: de CAR/UWO) in vaste of tijdelijke dienst zijn aangesteld dan wel met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5 van de CAR/UWO.

2.3.    Het betoog van appellant in zijn hoger-beroepschrift dat de rechtbank heeft miskend dat zijn beroep slechts is gericht tegen het besluit van 10 februari 2004, treft geen doel. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het college de beslissing op bezwaar van 10 februari 2004 bij besluit van 25 februari 2004 heeft gewijzigd in de zin van artikel 6:18 van de Awb. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, nu dat besluit niet geheel tegemoet komt aan het beroep. Appellant miskent de strekking van deze artikelen. In de aangevoerde omstandigheid dat appellant voor het aanvankelijke beroep griffierecht heeft betaald en verletkosten heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant nog belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 10 februari 2004. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van 10 februari 2004 en het beroep in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.    Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college terecht heeft geconcludeerd dat appellant geen aanspraak had op deelname aan de spaarloonregeling.

2.5.    Het betoog van appellant dat de Wet op de loonbelasting 1964 als toetsingskader moet worden gehanteerd en niet de gemeentelijke verordening en in het verlengde hiervan de gemeentelijke spaarloonregeling, treft geen doel. Die wet geeft niet rechtstreeks aanspraak op deelname aan de spaarloonregeling en regelt evenmin de vergoedingen voor de commissieleden. Op grond van artikel 96 van de Gemeentewet zijn die vergoedingen geregeld in de verordening. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voorziet de verordening niet in de mogelijkheid voor commissieleden tot deelname aan de spaarloonregeling. Voorts staat vast dat, anders dan bij raadsleden het geval kan zijn, de arbeidsverhouding die appellant als lid van de commissie maatschappelijke zaken met de gemeente Heythuysen heeft niet als een fictieve dienstbetrekking kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Van de zijde van de gemeente wordt daaraan niet de door voormeld artikel vereiste medewerking verleend. Mitsdien voorziet de gemeentelijke spaarloonregeling evenmin in de mogelijkheid tot deelname voor appellant. Van de gestelde ongelijke behandeling dan wel discriminatie ten opzichte van raadsleden is geen sprake, nu het niet gaat om gelijke gevallen. De werkzaamheden en verantwoordelijkheden van raadsleden zijn in hun totaliteit van een andere aard dan die van commissieleden, niet zijnde raadsleden. De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat de verordening in strijd is met enig hogere regel.

2.6.    Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, reeds omdat de op een informatiebijeenkomst gegeven informatie niet als een toezegging kan worden opgevat.

2.7.    De rechtbank heeft tenslotte met juistheid overwogen dat op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet het college bevoegd is beslissingen van de raad uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast. Nu de burgemeester terzake niet met enige taak is belast, is het college bevoegd in het kader van de uitvoering van de verordening een besluit te nemen op het verzoek van appellant. Het betoog van appellant dat het college in de onderhavige zaak niet bevoegd is, treft dan ook geen doel.

2.8.    Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 februari 2004 terecht ongegrond heeft verklaard.

   Met betrekking tot het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding niet heeft behandeld, wordt overwogen dat een schadevergoeding, als gevraagd, op grond van artikel 8:73 van de Awb alleen bij een gegrondverklaring van het beroep kan worden toegewezen. Nu het beroep van appellant terecht ongegrond is verklaard, komt hem - ook in hoger beroep - geen schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb toe.

   De rechtbank heeft in haar uitspraak geen overweging gewijd aan het verzoek om proceskostenveroordeling. Dit verzoek moet worden geacht te zijn afgewezen. Nu het beroep tegen het besluit van 25 februari 2004 ongegrond is verklaard en met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 10 februari 2004 niet is gebleken van gemaakte kosten, is dat terecht.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005

18-421.